Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

SEMIOTIEK

Het woord ‘semiotiek’ is afgeleid van het Griekse woord ‘semeion’ , teken. Semiotiek betekent dan ook tekenleer. Het is de tak van wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van tekens en alles wat daarmee te maken heeft, zoals tekensystemen en de processen die zich bij het gebruik van tekens voordoen.
Stoici (Zeno) en middeleeuwse scholastici (Augustinus, William van Ockham, Duns Scotus) hebben zich al gebogen over de problemen die gesteld kunnen worden bij het tekengebruik. Aan het eind van de achttiende eeuw heeft de wat vergeten Duitse filosoof J. H. Lambert het woord ‘semiotiek’ al gebruikt. Toch kan men zeggen dat de semiotiek een vrij jonge tak van wetenschap is. Pas in de twintigste eeuw is het ervan gekomen dat het tekengebruik en wat daarmee samenhangt minder incidenteel en meer systematisch werd bestudeerd.
Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De eerste is dat degene die als grondlegger van de semiotiek kan worden beschouwd, de Amerikaanse filosoof en logicus Charles Sanders Peirce (1839-1914), zijn overdenkingen op het gebied van de semiotiek wel al aan het eind van de vorige en aan het begin van deze eeuw heeft neergeschreven, maar dat het tot de jaren dertig van de twintigste eeuw heeft geduurd voordat die een begin van aandacht kregen. Vooral Charles Morris in Amerika en Max Bense in Europa hebben aan de geschriften van Peirce bekendheid gegeven. Maar het heeft tot de jaren zestig geduurd voordat die bekendheid wat groter werd. Toen pas werd men in wat groter kring gewaar wat een waardevol theoretisch materiaal en wat een nuttig begrippeninstrumentarium in de geschriften van Peirce te vinden was.
Die ‘ontdekking’ van Peirce kwam in zekere zin een aantal decennia te laat. De behoefte om zich met zoiets als semiotiek bezig te houden was namelijk al eerder opgekomen. Dat vloeide voort uit de opkomst van de algemene taalwetenschap. Als stichter daarvan kan de Zwitser Ferdinand de Saussure (1857-1913) worden beschouwd. Hij lanceerde de gedachte dat de taal als een verschijnsel op zichzelf tot voorwerp van studie kon worden gemaakt, en vatte die studie ook zelf aan: dat was het begin van de algemene taalwetenschap. Voor deze wetenschap is grote belangstelling ontstaan, en dankzij de inspanningen van veel geleerden heeft zij zich ontwikkeld tot een rijk geschakeerd geheel aan methoden, begrippen, vraagstellingen en theorieën, die zowel houvast als perspectief bieden, en wel in zo’n mate dat er van de algemene taalwetenschap een uitstraling is uitgegaan naar andere wetenschappen. Nu was het een van de uitgangspunten van Saussure geweest dat de taal moest worden bestudeerd als een systeem van tekens, maar hij had tevens te kennen gegeven dat taaltekens niet de enige tekens waren. Daaruit vloeide zijn gedachte voort dat de taalwetenschap, opgevat als de studie van een bepaald soort tekens, zijn plaats zou moeten krijgen binnen een algemene tekenleer. Met het ontwerpen van zo’n algemene tekenleer heeft hij zich zelf niet beziggehouden, maar hij heeft er wel een naam voor bedacht: ‘semiologie’. Dat woord ‘semiologie’ wordt ook heden ten dage nog naast het woord ‘semiotiek’ gebruikt. Veelal betekent het precies hetzelfde als ‘semiotiek’, al geeft het gebruik van het ene of het andere woord meestal wel de denkrichting aan van de gebruiker: wie bij Peirce aansluit, gebruikt het woord ‘semiotiek’, wie bij Saussure aansluit, gebruikt doorgaans het woord ‘semiologie’. Het laatstgenoemde woord verliest echter terrein ten gunste van het eerste.
Saussures idee om te komen tot een algemene tekenleer heeft enkele tientallen jaren nadat hij het gelanceerd had gehoor gevonden. Misschien doordat het idee van een linguïst afkomstig was en zeker doordat er van de algemene taalwetenschap de uitstraling uitging die hiervoor al vermeld is, hebben die eerste pogingen om tot zo’n tekenleer te komen sterk onder invloed van de linguïstiek gestaan. Peirce was zowel aan Saussure als aan degenen die zich door hem hadden laten inspireren onbekend. Men begon aan een bouwwerk en gebruikte daarbij de instrumenten die voorhanden waren en ook wel geëigend leken. Dat er betere en toepasselijkere beschikbaar waren (de begrippen van Peirce) wist men niet. En zo heeft het zich kunnen voordoen dat de linguïstiek zijn stempel heeft gedrukt op de semiotiek (semiologie), in plaats van omgekeerd. Roman Jakobson heeft gesteld dat het met de algemene taalwetenschap waarschijnlijk anders gelopen zou zijn als Saussure van Peirces geschriften op de hoogte zou zijn geweest. Dat is een kwestie die hier niet ter zake is, maar het is wel goed om te beseffen dat er twee hoofdstromingen in de semiotiek zijn: één die aansluit bij Peirce en die geen voorbeeld neemt aan de algemene taalwetenschap, en één die aansluit bij Saussure en die de algemene taalwetenschap wel als gids, goeroe of voedster beschouwt.
Binnen die laatstgenoemde hoofdstroming, die verder nauwelijks meer aan de orde zal komen maar die ik hier toch kort enige aandacht wil schenken, tekenen zich inmiddels al minstens een drietal stromingen af.
De eerste is die van de communicatiesemiologie. Deze wordt bedreven door onderzoekers die het teken bestuderen als onderdeel van een communicatieproces, in die zin dat zij als teken alleen dat teken beschouwen dat als zodanig wordt gebruikt door een afzender en als zodanig ook wordt opgevat door een ontvanger. Een verkeersteken is daar een goed voorbeeld van. Het is door de autoriteiten langs de weg gezet met de bedoeling dat de weggebruiker het als een teken herkent en interpreteert. Tussen afzender en ontvanger is er geen misverstand: rood betekent dat er iets verboden is. Dat is afgesproken, expliciet: een signaal. Als men deze tekenopvatting hanteert bij het beschouwen van taal, dan houdt men het oog alleen gericht op tekens die de taalgebruiker ook als zodanig aanbiedt en op de betekenissen die de taaltekens expliciet en volgens een bepaalde afspraak hebben. Met andere woorden, de communicatiesemioloog slaat alleen acht op de directe verwijzing, de denotatie, van het taalteken. Als iemand zegt ‘Mooi weer vandaag’, dan gaat men ervan uit dat die taaluiting naar het mooie weer verwijst, en anders niet. Vertegenwoordigers van deze stroming zijn Buyssens, Prieto en Mounin.
Maar de belangrijkste betekenis van ‘Mooi weer vandaag’ is meestal zoiets als ‘Wil jij met mij een gesprek beginnen?’ of ‘Ik doorbreek een stilte die als ongemakkelijk zou kunnen worden opgevat’. In dat geval wordt de denotatie van het taalteken in belangrijkheid verdrongen door wat de connotatie ervan wordt genoemd. Van dat begrip ‘connotatie’ zijn verschillende definities gegeven, die hier buiten beschouwing kunnen blijven. Het is voldoende er 'een tweede betekenis’ onder te verstaan, die zich voegt bij de eerste betekenis, de denotatie. Die tweede betekenis kan de afzender willens en wetens aan zijn teken meegeven, maar het kan ook zijn dat de ontvanger eenzijdig een connotatie toekent en zelfs dat hij eenzijdig iets tot teken verklaart zonder dat de afzender dat heeft bedoeld. Zo’n eenzijdig tot teken verklaard element is een symptoom. Een knipoog is een signaal, dat ‘Wij hebben nu even een bepaalde verstandhouding’ denoteert en daarnaast ‘Er bestaat tussen ons een zodanige relatie dat ik het mij kan veroorloven om jou een knipoog te geven’ connoteert. Maar een voortdurend met-de-ogen-knipperen kan door degene die het bij een ander waarneemt geheel eenzijdig als symptoom worden opgevat. Van zenuwachtigheid, bijvoorbeeld. Afwezigheid van afspraak, implicietheid, zijn kenmerkend voor dergelijke tekens.
Een semiotiek die zich met het bestuderen van dit soort, laten we zeggen, onwillekeurige tekens en met connotaties bezighoudt, kan men connotatieve semiotiek noemen. Toegepast op literaire werken, is die vooral beoefend door Roland Barthes, die zich trouwens niet tot het semiotisch analyseren van literatuur heeft beperkt, maar de connotatieve benaderingswijze ook heeft toegepast op allerlei maatschappelijke verschijnselen. In literaire werken zoekt hij naar de ‘tweede’, verborgen, betekenis van bepaalde structuurverschijnselen. In maatschappelijke verschijnselen - bijvoorbeeld de mode - zoekt hij naar de onwillekeurige betekenis ervan.
Aan deze tak van de semiotiek is een andere gegroeid, die voor zichzelf een enorme expansie opeist, en die ik daarom de expansieve semiotiek zou willen noemen. Dat is de stroming die vooral wordt belichaamd door Julia Kristeva, en die als kenmerk heeft dat ze erop uit lijkt om uiteindelijk de plaats van de filosofie over te nemen. Deze doelgerichtheid heeft ertoe geleid dat de semiotiek wel eens ‘de nieuwe totaalwetenschap’ is genoemd. In dit soort semiotiek wordt het begrip ‘teken’ zijn centrale plaats ontnomen. Die plaats wordt ingenomen door het begrip ‘betekenisproductie’. Het als te statisch, te on-historisch, te reductionistisch beschouwde bestuderen van het teken wordt vervangen door studie van, wat wordt genoemd, de betekenispraktijk. Dit soort semiotici vermengen hun analyses zonder methodologische scrupules met begrippen uit twee van de succesrijke hermeneusen van de jaren ‘60 en ‘70, de psychoanalyse en het marxisme.
Deze drie zeer summier weergegeven stromingen in de semiotiek - de communicatiesemiologie, de connotatieve en de expansieve semiotiek - vinden hun vertegenwoordigers vooral in West-Europa, met name in Frankrijk.
In Oost-Europa is de situatie anders. Dat heeft niet alleen te maken met methodologische verschillen, maar ook met verschillen van onderzoeksgebied. In Oost-Europa is het semiotisch onderzoeksgebied bij uitstek: de cultuur, en daarin dan bijvoorbeeld verschijningsvormen als schilderkunst, of volksdans. Dat heeft natuurlijk methodologische gevolgen: het primaat van de taalwetenschap geldt minder sterk, ook al wordt de taal door een toonaangevende stroming (Lotman) als een systeem beschouwd dat voor alle andere systemen als ‘modellerend’ werkt. In Polen worden semiotische onderzoekingen vooral geplaatst in de lijn van de logica (Pelc). Dat is niet verwonderlijk als men beseft dat Polen voortreffelijke logici heeft voortgebracht. Deze Poolse richting is in zekere zin een tegenhanger van de expansieve semiotiek van Kristeva; verre van te streven naar een ‘totaalwetenschap’ , zou men het liefst spreken van 'semiotische analyse van ...’ In een dergelijke neiging tot precisering en beperking is, naar mijn gevoel, niet alleen de invloed van de logica te bespeuren maar ook die van de fenomenologie.
Ook in Italië en Duitsland zijn centra van semiotisch onderzoek. In Italië wordt de semiotische scene gedomineerd door Umberto Eco. Hij gaat vooral van Peirce uit en stimuleert semiotisch onderzoek op allerlei gebied, schilderkunst, architectuur, maatschappelijke verschijnselen, en ook de literatuur. Maar in de Italiaanse semiotische onderzoekingen zijn de saussuriaanse invloeden ook heel sterk: er wordt veel gebruik gemaakt van structuralistische begrippen en methoden. Een groot congres van de International Society of Semiotic Studies, gehouden in Milaan in 1974, bood de gelegenheid om dat te constateren. Een Semiotisches Colloquium, gehouden in Berlijn in 1975, bood daarentegen vooral gelegenheid om kennis te nemen van de stand van zaken in (West-)Duitsland. Een aparte plaats wordt daar ingenomen door de Stuttgarters Max Bense en Elisabeth Walter, die zich streng op Peirce baseren, maar de aansluiting met andere onderzoekers om diverse redenen niet vinden. Een van die redenen is dat de grens met communicatiewetenschap, linguïstiek en informatietheorie niet scherp getrokken is. De voorkeur van Duitse semiotici lijkt uit te gaan naar de semiotische pragmatiek (dat is de studie van de relatie tussen teken en tekengebruikers) en naar de maatschappelijke kant van het tekengebruik (Wienold). Interessant is het werk van de Oostduitser G. Klaus, een marxistisch georiënteerd semioticus.
In een overzicht van stromingen in de semiotiek, al is dat nog zo grof en globaal, kan de naam van Roman Jakobson niet onvermeld blijven. Hij is een stroming op zichzelf. In belangrijke literatuur- en taalwetenschappelijke stromingen van deze eeuw heeft hij een rol gespeeld: het Russisch formalisme en het Praags structuralisme. Later is hij ertoe gekomen om zijn aandacht aan de semiotiek te geven. Hij heeft in de taal verschillende communicatiefuncties onderscheiden en aan de hand van deze onderscheiding is het mogelijk om functionele analyses van taaluitingen uit te voeren. Zulke analyses hebben Jakobson soms in staat gesteld om op het spoor te komen van subliminaal werkende elementen in tekensystemen. ('Subliminaal werkend’ - onder de drempel werkend - betekent: effectief zonder dat het bewustzijn eraan te pas komt. Het duidelijkste voorbeeld van het gebruik van subliminale middelen is het vertonen van een plaatje van een ijsje tijdens een filmpauze, zo kort dat niemand weet dat hij het gezien heeft: de ijsverkoop stijgt!)
Historische, geografische, methodologische en ook gewoon individuele factoren blijken dus de verschillen te bepalen die er bestaan tussen de opvattingen omtrent wat er onder semiotiek moet worden verstaan. Over semiotiek spreken betekent dus noodzakelijkerwijs een keus maken en demarcatielijnen trekken. Mijn voorkeur gaat uit naar een semiotiek die van Peirce uitgaat.
Een semiotiek dus, niet de semiotiek. Want er is niet zoiets als de semiotiek, net zo min trouwens als er ooit zoiets als het existentialisme of het structuralisme is geweest. Maar het bepalend lidwoord wordt nu eenmaal gebruikt, en het zou al te krampachtig zijn om het uit alle macht te vermijden. Men kan ook best over de semiotiek spreken, en wel om er een ‘familie’ van onderzoeksmethoden mee aan te duiden die hun verwantschap ontlenen aan aanrakingspunten op het vlak van probleemstelling, methodologie, theorie en gebruikte begrippen. Semiotiek wordt bedreven waar men zich bezighoudt met interpretatief gedrag, met verwijzing (dit in plaats van dat), met tekens (hun bestaanswijze, hun functie, hun relatie tot andere tekens, hun gebruik, hun ontstaan en verdwijnen, wat al niet), met betekenisproductie, met betekenisgewoonten, enzovoort. Terwijl het enerzijds niet mogelijk en ook niet wenselijk is om de grenzen van de semiotiek streng af te palen, is het anderzijds verkeerd om die grenzen al te vaag te maken en zo’n beetje van alles maar tot het gebied van de semiotiek te rekenen. Dat gevaar bestaat bijvoorbeeld ten aanzien van de communicatietheorie. Het is wel waar dat communicatie met behulp van tekens plaatsvindt en dat betekenisprocessen in de communicatie een belangrijke rol spelen. Maar het is niet waar dat tekens alleen maar in communicatie worden gebruikt. Buiten elke communicatiesituatie om gebruiken we tekens in ons dagelijks leven, als we de wereld proberen te ontcijferen, en als we, al of niet bewust, ons handelen laten bepalen door de wijze waarop we tekens interpreteren. En er is de boeiende vraag welke rol tekens spelen bij het denken. Semiotiek en communicatietheorie hebben dus wel aanrakingspunten, maar het is onjuist om ze klakkeloos als overlappend te beschouwen. Ook is het niet juist om de algemene taalwetenschap of als model voor de semiotiek te beschouwen of als een onderdeel ervan. De linguïstiek heeft zijn eigen onderzoeksterrein gekozen en daarvan bijvoorbeeld de taalbegeleidende (paralinguïstische) verschijnselen uitgesloten, die zich beter voor een semiotische benadering lenen. Hij heeft ook zijn eigen methoden en begrippen, waarvan misschien sommige maar zeker niet alle door de semioticus gebruikt kunnen worden.
De semiotiek neemt een plaats in die zich laat vergelijken met die van de cybernetica en de informatietheorie: op een kruispunt van wetenschappen, waaraan hij veel bruikbaars ontleent en die hij op zijn beurt weer van veel bruikbaars kan voorzien.