Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

PEIRCE

Charles Sanders Peirce (1839-1914) is een van de origineelste en veelzijdigste filosofen van Amerika. Voor zijn tijdgenoten was hij te origineel. Ze hebben hem links laten liggen. Maatschappelijk hebben ze hem laten verkommeren. Hij werd slechts vijf jaar lang als lector tot een universiteit toegelaten en daarna ontslagen. Hij stierf onder armelijke omstandigheden. Aan zijn ideeën werd weinig aandacht besteed. Nu moet onmiddellijk gezegd worden dat Peirce het mogelijk geïnteresseerden ook niet gemakkelijk maakte. Om geld te verdienen schreef hij over zeer uiteenlopende onderwerpen, hetgeen ook met zijn gespreide belangstelling te maken heeft. Daar komt bij dat hij er wel naar streefde om systemen en classificaties op te stellen, maar daar begon hij steeds weer opnieuw aan en hij bleef sleutelen, zodat hij er niet toe gekomen is om tijdens zijn leven iets te publiceren dat als een samenhangend geheel kan worden beschouwd. Hij heeft veel geschreven, maar veel daarvan heeft het karakter van een aanzet, een schets, en het meeste is ongepubliceerd gebleven tot na zijn dood. Pas jaren daarna is de uitgave van wat hij geschreven had, ook het niet-gepubliceerde, ter hand genomen. Van 1931 tot 1935 werden de eerste zes delen van de Collected Papers of Charles Sanders Peirce, verzorgd door Charles Hartshorne en Paul Weiss, uitgegeven. In 1957 en 1958 verschenen nog de delen 7 en 8, verzorgd door Arthur W. Burks. Het laatste deel bevat een bibliografie van Peirces geschriften.
Peirce lezen is niet altijd eenvoudig, ook al is het altijd een intellectueel genoegen van hoge orde. Meestal moet de lezer zelf systeem brengen in de aangeboden overdenkingen. En daar waar Peirce dat systeem zelf aanbrengt, voert hij dat dan soms weer zo ver door dat de zin ervan ontgaat. Bovendien worden talloze nieuwe begrippen ingevoerd, waarvoor dikwijls geheel nieuwe woorden moeten worden gecreëerd. Definities worden steeds weer veranderd en bijgesteld. Het komt nogal eens voor dat de stijl moeilijk is, ondanks of misschien juist wel door een behoefte om de dingen zo precies mogelijk te zeggen. Bij dat alles komt natuurlijk dat de problemen die hij aan de orde stelt vaak zo nieuw zijn, evenals zijn aanpak dat is, dat er van de lezers erg veel aandacht en scherpzinnigheid wordt geëist. Daardoor waarschijnlijk - en ook doordat de dingen nu eenmaal hun tijd nodig hebben - hebben tot op de huidige dag zijn denkbeelden nog niet geheel de bekendheid gekregen die ze verdienen.
Peirce heeft zich met wis- en natuurkunde beziggehouden, met scheikunde, sterrenkunde, taalwetenschap, psychologie, criminologie, religie. Niet als dilettant, maar altijd als de gewetensvolle wetenschapper die hij was. Hij wist veel, maar daar ging het niet om. Wat een wetenschapper, volgens Peirce, kenmerkt is niet dat hij veel weet maar dat hij ervan houdt om iets te leren. Het bekendst is hij geworden als filosoof. Ook de filosofie moest wetenschappelijk worden bedreven, vond hij. Zijn filosofie staat bekend onder de naam ‘pragmatisme’. Zelf gaf hij, uit vrees voor de slijtage waaraan een woord blootstaat dat een alledaagse betekenis heeft, de voorkeur aan een verlengde vorm: ‘pragmaticisme’.-Hij beschouwde die filosofie niet als een metafysica, een leer, een ‘Weltanschauung’, maar als een methode. Laten we zeggen als een methode om twijfel om te zetten in geloof (‘believe’). De aandacht van een dergelijke filosofie gaat uit naar het functioneren van elementen in de werkelijkheid, elementen die de moeite van het bestuderen alleen waard zijn in zoverre ze gebruikt worden, tot een effect leiden. Wat zijn werkelijkheidsopvatting betreft is Peirce een realist, in de filosofische zin van het woord. Hij wil geen onderscheid maken tussen het werkelijkheidsgehalte van materie of idee; iedereen die dat wel deed noemde hij gemakshalve een nominalist. Ook denkbare en zelfs ondenkbare zaken neemt hij liefderijk binnen zijn werkelijkheid op. Het is onjuist om Peirce als een platonist te beschouwen. Peirce onderscheidt drie zijnswijzen, die hij aanduidt met de woorden ‘First’, ‘Second’ en ‘Third’. Omdat dat voor begrip van zijn semiotiek nodig is, wil ik heel kort aanduiden wat hij met deze categorieën bedoelt.
Firstness duidt hij aan met begrippen als ‘eigenschap’, ‘gevoel’, ‘misschien-karakter’ , ‘een soort essentie’. Firstness is de zijnswijze van wat is zoals het is zonder verwijzing naar iets anders. Het is de zijnswijze van het mogelijke, het potentiële.
Secondness wordt aangeduid met begrippen als ‘confrontatie met het harde feit’, ‘het stoten op de buitenwereld’, 'wat plaatsvindt’. Secondness is de zijnswijze van wat is zoals het is in verband met een ander Second, maar zonder dat er nog een Third aan te pas komt. Het is de zijnswijze van het bestaande.
Thirdness wordt aangeduid als ‘een regel’, ‘een wet’ (‘law’), ‘een gedragsgewoonte’, ‘het element van algemeenheid in onze ervaring’. Thirdness is de zijnswijze van dat wat is zoals het is door een Second met een Third in verband te brengen. Het is de zijnswijze van het algemeen-geldige.
Behalve filosoof was Peirce vooral logicus. Volgens hem is het de taak van de logica om te begrijpen hoe mensen redeneren. (Het redeneren zelf kan aan de wiskunde worden overgelaten.) Om dat te kunnen doen, moet de logica zijn interessegebied vooral niet beperken, maar als het ware over alle grenzen heen reiken. Logica is geworteld in het sociale, stelde Peirce. Werkend aan een theorie van het redeneren kwam hij tot de overtuiging dat de mens in tekens denkt. Zo kwam hij ertoe om zijn tekenleer te ontwerpen. 'Semiotiek’ werd voor hem synoniem voor ‘logica’. Letterlijk heeft hij gezegd: 'We denken alleen maar in tekens.’ Daarnaast heeft hij tekens ook als elementen in de communicatie beschouwd, zoals blijkt uit voorbeelden die hij geeft. Meer en meer raakte hij ervan overtuigd dat alles een teken is, dat wil zeggen in ieder geval volgens de zijnswijze van het mogelijke.
Natuurlijk is voor Peirce het teken alleen een teken als het als zodanig functioneert. De vraag dringt zich op wat voor hem de essentiële functie van het teken is. Op die vraag kan een antwoord worden gevonden in een brief aan Lady Welby (van 12 oktober 1904), waarin hij weer eens een poging doet om zijn systeem uiteen te zetten:
Het komt me voor dat het de essentiële functie van een teken is om niet-efficiënte relaties efficiënt te maken - niet om ze in actie te brengen, maar om een gewoonte te vestigen of een algemene regel op te stellen waardoor die relaties te gelegener tijd operationeel kunnen worden.
De essentiële functie van een teken bestaat dus, voor Peirce, uit het efficiënt maken van iets, of dat nu is ons communiceren met anderen, ons denken of ons begrijpen van de wereld. Dat alles doen we door, wat Peirce heeft genoemd, het vastleggen van wat we geloven. We geloven van alles, maar meestal doen we dat erg onbewust. Een van de rechtvaardigingen van semiotische arbeid is dat we, met behulp van het begrippeninstrumentarium dat de semiotiek biedt, ons bewuster kunnen worden van wat wij en anderen geloven, van wat als ‘geloofs-gewoonten’ aan het menselijk denken en handelen ten grondslag ligt.