Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

HET TEKEN

Om duidelijk te maken wat een teken is, lijkt het me het beste om met een eenvoudig voorbeeld te beginnen.
Stel dat we aan het strand mensen in een kuil zien zitten. Om die kuil is een soort wal van zand gemaakt waarin schelpen zijn aangebracht en wel zo dat ze het woord ‘Duisburg’ vormen. We concluderen: daar zitten Duitsers, uit Duisburg. Tot die conclusie zijn we gekomen omdat we weten dat het bewuste woord verwijst naar een stad in de Bondsrepubliek. We hebben het als een teken opgevat en geïnterpreteerd.
Een aantal belangrijke kenmerken van het teken zijn met dit voorbeeld gegeven. In de allereerste plaats moet het teken waargenomen kunnen worden om als zodanig te kunnen functioneren. Grenzen aan die waarneembaarheid bestaan wel, maar zijn niet precies aan te geven. Het is wel zeker dat onze vakantiegangers aan tien schelpjes niet genoeg hadden om hun teken te construeren, maar duizend hebben ze er niet gebruikt. Ergens tussen die twee getallen ligt de grens van wat voor de waarneembaarheid van het teken als teken minimaal noodzakelijk is. Datzelfde geldt ook voor de ordening, de structurering, van de schelpjes, van de elementen waaruit het teken is opgebouwd en waaraan het ook zijn waarneembaarheid ontleent. Hier zouden interessante proeven mee te doen zijn, die natuurlijk zullen uitwijzen dat er verschillen bestaan bij waarnemers. De slimste zal bij een minimaal aantal schelpen, en ook bij een moeilijke rangschikking, het woord ‘Duisburg’ herkennen, terwijl onoplettendheid, kippigheid, ongeletterdheid en wat al niet ertoe kunnen leiden dat het teken niet als zodanig wordt waargenomen. Een apart geval levert de waarnemer op die het woord wel als plaatsnaam, als teken dus, herkent, maar niet weet dat Duisburg in Duitsland ligt: hij neemt wel een teken waar, maar slaagt er niet in om het te interpreteren, althans goed te interpreteren.
Wat er fysiologisch gebeurt als er een teken wordt waargenomen is een vraagstuk op zichzelf. Het schijnt dat neurologen kunnen constateren dat een bepaalde verandering in de elektrische spanning binnen het zenuwstelsel samentreft met het waarnemen van een teken. Het aardige is dat zich op dit vlak toch een semiotisch probleem blijft voordoen: ook die spanningsverandering moet toch als teken voor 'Er wordt een teken waargenomen’ worden geïnterpreteerd. Men ontkomt er niet aan een beroep op zoiets ongrijpbaars als ‘bewustzijnsverandering’ te doen. lk wil op deze kwestie hier nu niet verder ingaan, ook al is hij belangrijk genoeg. Het lijkt me voldoende om hier aan te stippen dat men het uiteindelijk in de semiotiek voorlopig zonder het begrip ‘bewustzijnsverandering’ niet kan stellen.
Waarneembaarheid is dus een noodzakelijke voorwaarde opdat er van teken gesproken kan worden, maar de aard van die waarneembaarheid is voor het teken niet van essentieel belang. Het woord ‘Duisburg’ wordt als teken opgevat, maar het doet er niet toe of we dat teken - uitgevoerd in schelpjes op het zand of geschreven op een vlaggetje of bordje - lezen of dat we het iemand horen uitspreken. Als de strandgasten in hun kuil een lied hadden gezongen waarvan de tekst had bestaan uit een veelvuldige herhaling van datzelfde woord, dan waren de verwijzing en de interpretatie niet anders geweest. We hadden dan met hetzelfde teken van doen gehad.
Het teken moet dus, om als zodanig te functioneren, wel waarneembaar gemaakt worden, maar hoe dat gebeurt is niet van wezenlijk belang. Er moet dus kennelijk een onderscheid worden gemaakt tussen teken en tekendrager. Bij één teken zijn meerdere tekendragers mogelijk. Ook hier zijn weer geen precieze grenzen te trekken. Op 1 mei hangen mensen rode vlaggen uit, de één wat paars getint misschien, de ander wat meer oranjeachtig getint. Ergens ligt de grens waarachter men geen rood meer herkent maar zwart of wit of iets anders. Maar waar? De vlaggen zijn groot of klein, van verschillende vorm. Een klein jongetje schuift misschien een vel tekenpapier naar buiten dat hij met een rood kleurpotlood heeft bekrast. Waar ligt de grens waarachter men ophoudt de vlag als vlag te herkennen? In ieder geval heeft men in dit voorbeeld met allemaal verschillende tekendragers van doen, niet twee precies gelijk. Maar ze vormen wel allemaal één en hetzelfde teken.
Een ander kenmerk van het teken ‘Duisburg’ op de kuil is dat het verwijst naar iets anders, iets dat niet aanwezig is, in dit geval naar een stad in Duitsland. Dat is een belangrijk verschil met het strand, de zee, de meeuwen, de mensen, die we ernaast ook wel zien, maar die we (laten we dat aannemen) niet als teken beschouwen.
Het is goed om over het begrip ‘verwijzen naar’ duidelijk te zijn. Het is, qua betekenis, dicht bij ‘in verband brengen met’. Het is ook zo gek niet om het op te vatten als ‘vertegenwoordigen’. Maar het moet vooral niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan ‘oproepen’ (van een beeld of een begrip of zoiets). Ik leg daar de nadruk op, omdat het nogal eens gebeurt dat men ‘verwijzen’ ‘oproepen' laat betekenen. Natuurlijk is het waar dat degene die in Duisburg is geweest bij het zien van het woord ‘Duisburg’ iets anders beleeft dan degene die er nooit is geweest. In de geest van de Duisburgkenner zal wel iets worden opgeroepen als hij het woord op de kuil leest. Dat zal misschien ook het geval zijn bij de niet-Duisburgkenner, ook al is zijn voorstelling waarschijnlijk vager en zeker niet waarheidsgetrouw. Maar dat is een psychologische zaak, en geen semiotische. Met het tekenkarakter van het woord ‘Duisburg’ heeft dat eventuele oproepen-van-een-voorstelling niets te maken. Het enige dat voor de semioticus vaststaat, wat althans zijn axioma is, is dat het woord ‘Duisburg’ voor de waarnemer een teken is indien hij het als een soort vertegenwoordiger beschouwt voor iets dat niet aanwezig is maar wel tot de werkelijkheid behoort. Het woord ‘Duisburg’ is een teken, omdat het ‘verwijst naar’, ‘in de plaats komt van’, ‘vertegenwoordigt’, ‘representeert’. Het teken heeft noodzakelijkerwijs een representatief karakter.
Onlosmakelijk verbonden met dit representatief karakter van het teken is zijn interpretatief karakter. Want aan het woord ‘Duisburg’ op de kuil zit niet alleen de verwijzing naar de Duitse stad vast, maar ook de interpretatie ‘Daar zitten Duitsers’, of iets dergelijks. Hoe het precies zit met die interpretatie is niet te zeggen. Wel staat vast uiteraard dat het iets met de geest van de tekenwaarnemer te maken heeft. Men kan ook wel aannemen, zoals Peirce doet, dat het resultaat van het interpreteren het ontstaan is van een nieuw teken in de geest van de interpreterende persoon. Om een idee te krijgen hoe dat nieuwe teken eruit ziet of beschreven kan worden is het voldoende om een woordenboek te nemen. Laten we Van Dale nemen en kijken onder ‘tafel’. Waarnaar dat woord in de werkelijkheid verwijst, weten we allemaal wel. Als iemand zegt ‘Leg dat boek op de tafel’, dan zullen we het niet op de stoel leggen. Een tafel, zegt Van Dale, is een ‘gewoon stuk huisraad, hoofdzakelijk bestaande uit een horizontaal blad, dat op één of meer poten rust, om daarop wat te zetten, te leggen of daaraan wat te verrichten’. Deze hele taaluiting, die kan worden opgesteld als we over het teken ‘tafel’ beschikken en daaraan de verwijzing naar een tafel waar je een glas op kunt zetten hebben verbonden, is dan dat andere teken dat zich mogelijkerwijs in het brein van de tekenontvanger ontwikkelt. De woordenboekbetekenis is tegelijk het resultaat van de interpretatie van een teken en zelf een nieuw teken. Dit is maar een voorbeeld. We nemen aan dat iets dergelijks zich altijd voordoet bij semiosis (een tekenproces): teken en verwijzing worden in verband gebracht met een nieuw teken in de geest van de interpreterende persoon.
Drie elementen bepalen dus de aanwezigheid van een teken: het waarneembare teken zelf, datgene waarnaar het verwijst en een ander teken in de geest van de tekenontvanger. Tussen het teken en dat waarnaar het verwijst bestaat een relatie: het teken heeft een representatief karakter. Teken en representatie leiden tot een interpretatie: het teken heeft een interpretatief karakter. Anders gezegd: representatie en interpretatie karakteriseren het teken.
Nu moet worden onderkend dat het een niet zonder het ander kan, als men tenminste van teken spreken wil. Er is niet alléén representatie, of alléén interpretatie. Natuurlijk zijn er wel 'vertegenwoordigers’ die niet worden geïnterpreteerd. Er kan een meneer met spullen van Philips aan de deur komen, zonder dat we denken ‘Dat zal wel rommel zijn’. Die meneer is dan geen teken. Met interpretatie ligt dat anders. Er is nooit interpretatie zonder representatie. De conclusie ‘Dat zal wel rommel zijn’ kan niet ontstaan zonder dat we de meneer aan de deur als een vertegenwoordiger van een of andere firma - en dus als teken voor die firma - beschouwen. Wat hieruit volgt is dit. Hoewel bij semiosis representatie en interpretatie allebei als even onafwendbaar aanwezig moeten worden verondersteld, is representatie toch iets fundamenteler voor het tekenproces dan interpretatie. Dus: een tekenproces is het in functie brengen van een drievoudige relatie die niet (althans niet in de werkelijkheid, wel in de beschrijving uiteraard) kan worden teruggebracht tot een tweevoudige relatie, maar binnen die relaties is toch de representatieve fundamenteler dan de interpretatieve.
Dit uitgangspunt brengt een moeilijkheid met zich mee. Hoe moeten we ons in bepaalde gevallen die representatie voorstellen? In het geval van ‘Duisburg’ of ‘tafel’ is dat zo’n probleem niet. Maar wat te doen met het taalteken ‘of’, in een zin als 'Die uitspraak is waar of niet waar'? Over de interpretatie is weinig misverstand mogelijk. 'Of' betekent 'wat hierna volgt sluit het voorgaande uit’. Over het element uit de werkelijkheid waarnaar wordt verwezen kan weinig meer worden gezegd dan dat het zoiets is als een begrip, een idee, een gedachtencomplex, een vage, onvoorstelbare notie als ‘uitsluiting’. Er zijn mensen voor wie dit een onoverkomelijk bezwaar is. Ze vinden dat er in dit geval helemaal niet naar een element uit de werkelijkheid wordt verwezen. Ze ontzeggen begrippen waar men zich geen voorstelling van kan maken hun bestaansrecht in wat de werkelijkheid wordt genoemd. Wil voor deze bezwaarden ‘of’ toch een teken zijn, dan moet het axioma van het representatief karakter van het teken komen te vervallen. De keuze is uiteindelijk: ofwel we ontkennen dat ‘of’ een teken is, ofwel we veranderen ons tekenbegrip, ofwel we nemen aan dat de werkelijkheid een begrip als ‘uitsluiting’ omvat. Het uitgangspunt van de semiotiek dat ik hier presenteer is dat voor de laatste opvatting wordt gekozen.
De woorden 'representatie' en ‘interpretatie’ hebben het bezwaar dat ze een handeling kunnen aanduiden en het resultaat van die handeling. Daarom is het goed dat voor die laatste betekenis (resultaat van een handeling) andere termen worden ingevoerd. Het resultaat van representatie heet dan denotatum. Misschien zou ‘representatum’ beter zijn geweest, maar waarom zich niet aansluiten bij een taalgebruik dat al ingang gevonden heeft? Het resultaat van interpretatie noemen we, met Peirce, de interpretant van het teken. Ook in dit geval conformeren we ons dus aan een al eerder ingevoerd taalgebruik. De interpretant is dus dat teken dat zich uit een eerder teken ontwikkelt in de geest van de interpreterende persoon. De begrippen ‘interpretant’ en ‘interpreterende persoon’ moeten dus vooral niet als identiek worden opgevat.
Een laatste belangrijk grondkenmerk van het teken moet nu nog aan de orde komen: iets kan alleen een teken zijn op grond van het een of ander. Peirce heeft dat genoemd de Ground van het teken. Omdat ik daarvoor geen vertaling kan verzinnen, wil ik dit Engelse woord maar handhaven. Laten we, om te begrijpen wat de Ground van een teken is, terugkeren naar de kuil op het strand. Dat we het woord ‘Duisburg’ als een teken opvatten, komt doordat we de letters kunnen lezen, weten dat ze samen één woord vormen, dat dat woord een eigennaam is en wel de naam van een Duitse stad. Met andere woorden: het teken ‘Duisburg’ maakt deel uit van een geheel van regels, afspraken, geïnstitutionaliseerde gewoonten, die we codes noemen. Onze kennis van deze codes brengt ons ertoe om het teken als teken op te vatten en te interpreteren.
In dit geval zijn het taalcodes, maar dat behoeft natuurlijk niet altijd het geval te zijn. Als er eens niets op die kuil had gestaan, dan was toch het simpele feit dat we mensen zagen zitten in een kuil met een wal van zand eromheen voldoende geweest om die kuil en die wal als een teken op te vatten: dat zijn Duitsers die daar zitten. Want we weten immers dat Duitsers de gewoonte hebben om, als ze aan het strand komen, zich door middel van het graven van zo’n kuil een territorium af te bakenen. Die, niet-talige, gewoonte beschouwen we ook als een code; op grond daarvan is de kuil een teken geworden. Er zijn ook niet-talige codes.
Overigens is het niet zo dat tekens alleen tekens zijn op grond van codes. Er zijn ook andersoortige tekens. Veel incidenteel en individueel interpreteren vindt plaats op ‘onberegelde’ gronden. Met dit woord ‘onberegeld’ bedoel ik dat de Ground van het teken niet altijd een systematisch beschrijfbaar geheel van afspraken hoeft te zijn. Toen mijn tachtigjarige bovenbuurvrouw op een dag ‘s avonds het melkflesje niet had binnengehaald dat de melkboer ‘s morgens voor haar deur had neergezet, beschouwde Jeannette, mijn vrouw, dat als een teken: er moest iets aan de hand zijn. Inderdaad was dat zo: de buurvrouw bleek te zijn overleden. Het niet binnengehaalde melkflesje was als een teken opgevat, zonder dat daaraan een code ten grondslag lag. Het was als teken beschouwd op grond van individuele bekendheid met de gewoonte van de vrouw om het voor de middag weg te halen. Er bestond geen enkele afspraak, geen ‘beregeling’, dat deze gewoonte ergens een teken voor zou zijn. Men zou dit voorbeeld met een groot aantal andere kunnen aanvullen. Heel vaak functioneren tekens zonder code. Codes zijn vaak de Ground van een teken, maar niet altijd. Daarom wordt er niet van code gesproken, maar meer in het algemeen van Ground, als we het hebben over dat op grond waarvan het teken tot teken wordt.
Natuurlijk bestaan Grounds, codes of niet, slechts bij de gratie van hun voorkomen in het bewustzijn van de tekengebruikers. Verdwijnen ze daaruit, dan verdwijnt ook de mogelijke semiosis. Dat kan gebeuren, en het gebeurt ook. Ik geloof niet dat er zoiets als algemeen geldige of eeuwige Grounds bestaan, en dus bestaan er ook geen ‘algemene’ of ‘eeuwige’ tekens. Tekens zijn onderworpen aan de beperkingen, begrensdheden van alles wat zich in onze wereld voordoet. Ze worden geboren, leven en sterven, net als wij. Laten we, tot besluit van deze paragraaf, ons nogmaals realiseren dat alles wat waargenomen of waarneembaar gemaakt kan worden een teken kan zijn. Dat betekent dat niet alleen dingen tekens zijn. Een gebeurtenis kan een teken zijn, evenals een reeks van gebeurtenissen, of afwezigheid van gebeurtenissen. Een structuur die we in iets ontdekken, een gewoonte, het kan allemaal als teken worden opgevat. Een vlaggetje, een handgebaar, een woord, een stilte, een eetgewoonte, een modeverschijnsel, een zenuwtrek, een verspreking, een blos, een voorkeur, een stand van de sterren, een houding, een omgekeerde postzegel, een bloem, een grijze haar, zwijgen, stotteren, spugen, vlug praten, wankelen, staren, wind, vuur, wit, hoekigheid, intensiteit, precisie, geduld, waanzin, zorg, zorgeloosheid, het kan allemaal teken zijn. Als we het maar een drievoudige relatie kunnen toekennen, met een Ground, met een denotatum en met een interpretant.