Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

GROUND

Naar de aard van hun Ground heeft Peirce de tekens in drie groepen verdeeld. Zoals hierna blijken zal, maakt hij ook indelingen in drieën als hij de tekens onderscheidt naar hun relatie met denotatum en interpretant. Mensen die een wat oppervlakkige kennis hebben van het werk van Peirce spreken wel eens licht ironisch over zijn ‘manie’ om driedelingen te maken. Die ironie is niet gerechtvaardigd, want die driedelingen hangen natuurlijk samen met Peirces fundamentele onderscheid in drie categorieën van zijnswijze: Firstness, Secondness en Thirdness. Als Peirce drie soorten tekens onderscheidt, dan is het teken van de eerste soort steeds een First, de tweede een Second en de derde een Third.
De drie soorten tekens, ingedeeld naar de aard van hun Ground, zijn (en ik handhaaf de Engelse benamingen):
1. Qualisigns
2. Sinsigns
3. Legisigns
De voorvoegsels Quali-, Sin- en Legi- zijn afgeleid van ‘quality’, ‘singular’ en ‘lex’ (wet).
Qualisigns zijn tekens die dat zijn op grond van een eigenschap. Een voorbeeld is de eigenschap ‘rood’. Het is mogelijk om rood tot een teken te maken. Rood is een Qualisign, omdat het een teken is op het vlak van het mogelijke. Om werkelijk als teken te gaan functioneren, moet het Qualisign wel gestalte krijgen (‘embodied’ is het woord dat Peirce gebruikt). Zuivere Qualisigns komen in de werkelijkheid dus niet voor. Zo wordt rood wel als teken gebruikt - voor socialisme, voor liefde (iemand rode rozen geven), voor gevoel (Jung heeft sommige kleuren zo’n ‘verwijs’-functie gegeven), voor gevaar of verbod (verkeersbewegwijzering) -, maar de kleur moet dan wel gestalte krijgen, op vlaggen, op rozen, in droombeelden, op verkeersborden. Aan het Qualisignkarakter van rood als teken doet dit niets af.
Het zou erop kunnen lijken dat ik met dit gestalte-krijgen hetzelfde bedoel als de concretisering van het teken in een tekendrager, maar dat is niet het geval. De noodzakelijke concretisering in een tekendrager geldt voor alle tekens. Het gestalte-krijgen geldt alleen voor Qualisigns. Misschien is het beter om te zeggen dat het Qualisign moet worden ingebed in iets anders, waardoor het van Firstness tot Secondness overgaat. Het rood dat socialisme betekent moet worden ingebed in vlaggen, spandoeken, enz., om als teken te gaan functioneren. Als we langs een veld met rode tulpen komen, zullen we niet denken: ‘Zeker een socialistische bollenkweker.’ Evenmin: ‘Zeker een verliefde bollenkweker.’ Dat niet-ingebedde rood van het tulpenveld blijft tot nader order in zijn status van pure Qualisign steken.
Sinsigns zijn tekens die dat zijn op grond van hun voorkomen in de werkelijkheid. Alle individuele, niet-geïnstitutionaliseerde uitingen kunnen Sinsigns zijn. Een schreeuw die pijn betekent, of verbazing, of vreugde. We kunnen iemand herkennen aan zijn kuchje, zijn voetstap, zijn lach, de grondtoon in het timbre van zijn stem. Dat zijn allemaal Sinsigns. Een één keer gebruikte metafoor is een Sinsign. Als Carmiggelt van twee meisjes schrijft dat zij ‘wervend de stad in gaan’, dan is in dat citaat het woord ‘wervend’ een metafoor - beeldspraak -, omdat een, verkorte, vergelijking wordt gemaakt met, zeg, een sergeant die soldaten probeert te werven voor een huurleger. Carmiggelt suggereert dat ook die meisjes jongens gaan werven, maar dan niet voor een leger natuurlijk. Zo’n vergelijking maakt alleen Carmiggelt. Vandaar dat deze metafoor éénmalig wordt genoemd. ‘Wervend’ is een Sinsign. Het melkflesje van mijn buurvrouw, uit de vorige paragraaf, was dat ook. Alle tekens die wij als zodanig herkennen zonder dat ze op een code berusten, behoren tot dit soort tekens. Veel van de tekens uit onze dagelijkse levenspraktijk zijn Sinsigns. Elk Sinsign impliceert het gestalte-krijgen van een eigenschap en dus een Qualisign.
Legisigns zijn tekens die dat zijn op grond van een algemeen geldige regel, een conventie, een code. Verkeerstekens zijn Legisigns en dat kan ook gezegd worden van traditionele gebaren, als ja-knikken, wenkbrauwen fronsen, handen schudden, enz. Alle taaltekens zijn Legisigns, want taal is een code. Elk Legisign impliceert een Sinsign, een Second, die het in verband brengt met een Third, de algemeen geldige regel. Het Legisign is dus zelf een Third.
Nu moet hier meteen een belangrijke opmerking gemaakt worden. De oplettende lezer zal hebben opgemerkt dat als voorbeeld van een Sinsign een metafoor van Carmiggelt is gegeven, het woord ‘wervend’. Luttele zinnen later zeg ik dat alle taaltekens, dus ook woorden, Legisigns zijn. Is dat niet met elkaar in tegenspraak? Het antwoord is: nee. Maar dat heeft wel enige uitleg nodig. Het is namelijk zo dat het onderscheid in verschillende categorieën van tekens geen strenge demarcatielijn tussen die categorieën pretendeert te trekken. Het komt er alleen op aan om het dominerende kenmerk, vanuit een bepaald perspectief, aan te geven. Natuurlijk zijn alle woorden Legisigns, en dus ook alle metaforisch gebruikte woorden. Het is echter duidelijk dat de metafoor ‘oogappel’ in een zin als ‘Zij is mijn oogappel’ méér een Legisign is dan de metafoor ‘wervend’ in ‘Zij gingen wervend de stad in’, en dat ‘oogappel’ wel binnen een soort vastgelegd stelsel van bruikbare metaforen hoort en ‘wervend’ niet. Kijken we tegen de woorden ‘oogappel’ en ‘wervend’ aan vanuit een, laten we zeggen, buiten-talig standpunt, dan zijn het allebei Legisigns. Beschouwen we ze echter vanuit een binnen-talige uitkijkpost, en wel naar de aard van hun metaforisch karakter, dan is ‘oogappel’ een Legisign en ‘wervend’ een Sinsign. Dat brengt me tot het volgende. Een Sinsign kan succesrijk zijn en in het terrein van de wetmatigheid of de algemeenheid terechtkomen. Zo zou het denkbaar zijn dat lezers van Carmiggelt de genoemde metafoor in hun spraakgebruik opnemen. Uit het Sinsign ontwikkelt zich dan een Legisign. Ik neem zelfs aan dat elk Legisign zich zo heeft ontwikkeld uit wat eens een Sinsign was. Een kreet van pijn is individueel; alle mensen laten hem op hun eigen manier horen. Toch is er een conventie die ons in het Nederlands doet noteren: ‘Au.’ Fransen schijnen ‘Aie’ te horen. Tussen dit Sinsign- en Legisignkarakter van de pijnkreet bestaat ongetwijfeld een heen-en-weer-beweging. Wetend dat de pijnkreet als ‘Au’ genoteerd wordt, zal een Nederlander ook vaker werkelijk 'Au' laten horen waar een Fransman ‘Aie’ zal roepen. Zo zeggen de Nederlandse koekoeken ‘koekoek’, terwijl ze in Frankrijk en Engeland de laatste k weglaten.
De tekens die in de geïnstitutionaliseerde communicatie worden gehanteerd zijn allemaal Legisigns. Zonder kennis van de regel, de conventie, de code, wordt het teken niet als teken herkend, laat staan geïnterpreteerd. Als wordt gesteld dat die regel, conventie of code 'algemeen geldig’ is, moet daaronder natuurlijk worden verstaan ‘algemeen geldig binnen een bepaalde kring’. Zo’n kring zou ik cultuurkring willen noemen. Dat is een verzameling van mensen die bekend zijn met een geheel van semiotische afspraken die het mogelijk maken om tekens binnen hun gemeenschap te herkennen. De regels van een taalgebruik bepalen een cultuurkring, maar datzelfde geldt ook voor de regels van gebarentaal, omgangsvormen, eetgewoonten, wat al niet. In De Volkskrant heeft Hopper indertijd aandacht besteed aan ‘gezinstaal’. Het ging om uitdrukkingen die in een bepaald gezin gebruikt werden, maar daarbuiten volstrekt onbegrijpelijk zouden zijn. In die gevallen was de cultuurkring dus tot het gezin beperkt. Iedereen kent wel voorbeelden van codes die in uiterst beperkte cultuurkringen het tekengebruik bepalen.
Een interessante consequentie van de onlosmakelijkheid van een Legisign van zijn code is dat het door bestudering van Legisigns mogelijk moet zijn om zicht te krijgen op codes die niet expliciet zijn. Dit zal niemand verbazen: in de wetenschap zowel als in de levenspraktijk hebben wij alleen maar toegang tot wetten, regels, onuitgesproken conventies en codes door terug te kijken van de voorhanden zijnde tekens naar wat daaraan ten grondslag ligt (de Ground van die tekens). De natuurwetenschapper die zijn metingen vergelijkt, de socioloog die de resultaten van een enquête systematiseert, de cultureel antropoloog die het algemeen geldige zoekt in zijn waarnemingen, de nieuweling die op een feestje of op een vergadering oplet hoe de verhoudingen in het gezelschap liggen, ze doen in wezen hetzelfde semiotische speurwerk.