Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

DENOTATUM

Eerst iets over het woord ‘denotatum’. Ik heb gezegd dat het gebruikt wordt om het element uit de werkelijkheid aan te duiden waarnaar het teken verwijst. Peirce zelf heeft het woord ‘Object’ gebruikt, maar omdat dat zo’n algemeen gebruikte andere betekenis heeft, heb ik de voorkeur gegeven aan het al in zwang zijnde ‘denotatum’.
Er is een onderscheid tussen denotatum en designatum. In de zin ‘Leg dat boek maar op die tafel’ verwijst het woord ‘tafel’ naar één bepaalde tafel. In dat geval heeft het woord een designatum. In de zin 'Ik ga een tafel kopen’ verwijst het woord ‘tafel’ niet naar één bepaalde tafel, maar naar de verzameling tafels, die zich als klasse van elementen uit de werkelijkheid onderscheidt van andere verzamelingen, stoelen, bloemen enz. In dit geval heeft het woord ‘tafel’ een denotatum. Een denotatum is dus een verzameling of klasse van designata. Gemakshalve zal ik verder van ‘denotatum’ spreken, en niet steeds 'of designatum’ toevoegen, hoewel ik dat wel bedoel. Het voorbeeld van de twee zinnen met het woord ‘tafel’ erin laat ook zien dat de toewijzing van het denotatum aan een bepaald teken afhangt van de aangrenzende elementen, die ook tekens zijn. In beide gevallen wordt de representatieve relatie bepaald door omringende taaltekens: de denotatie (en ook de interpretatie, die daaraan onlosmakelijk verbonden is) hangt af van de context. Veel woorden kunnen geïsoleerd, zonder context, hun denotatie en interpretatie niet krijgen. Wat betekent de zin ‘Wat een tafel!’, als we niet weten in welk verband die zin is geplaatst? Hij kan slaan op een meubel, maar ook op iets heel anders, een tafel van vermenigvuldiging, of een platte steen waarop iets geschreven staat (Mozes). De context moet ons leren welke keus hier dient te worden gemaakt. En als er geen taaltekens zijn die zo’n zin omringen, dan moeten we een beroep doen op de niet-talige omgeving, de situatie. Situatie en/of context bepalen bij het hanteren van taaltekens de toewijzing van denotatum en interpretant. Precies hetzelfde geldt voor andersoortige tekens.
Het tafel-voorbeeld liet zien dat één teken een veelvoud van denotata kan hebben. Het rood-voorbeeld uit de vorige paragraaf wees daar al op. (Als dat niet zo was zouden er ook geen interpretatie-onzekerheden zijn, geen heilloze misverstanden, maar ook geen boeiende exegesen. ‘Talen’ met eenduidige denotatie, daar dromen wiskundigen van.)
Het denotatum hoeft niet iets concreets te zijn, het kan ook abstract zijn. Het hierboven genoemde denotatum van het woordje ‘of’ is er zo een. Het denotatum kan iets zijn dat bestaat, maar ook iets dat heeft bestaan, iets waarvan we aannemen dat het bestaan heeft of dat het zal bestaan. Het kan voorstelbaar zijn, maar ook onvoorstelbaar. Al het denkbare en ondenkbare kan denotatum van een teken zijn.
Naar de aard van de relatie tussen teken en denotatum onderscheidt Peirce drie soorten tekens:
1. iconen
2. indices
3. symbolen
Het iconische teken is er een dat als zodanig als mogelijkheid bestaat, onafhankelijk van het bestaan van een denotatum, maar waarmee het wel in verband kan worden gebracht op grond van een gelijkenis die het potentieel daarmee heeft.
Deze definitie brengt met zich mee dat alles een icoon is, omdat alles wat in de werkelijkheid voorhanden is met iets anders in verband kan worden gebracht. Als in de tuin een merkwaardige kalebas groeit, dan kunnen we opeens ontdekken dat die gelijkenis vertoont met de kop van een bekende staatsman. Als nu tegen de politiek van die staatsman een protestdemonstratie op touw wordt gezet, kunnen we de kalebas op een stok steken en meedragen: hij is dan een teken geworden. Dat was hij in potentie al, toen hij daar nog in alle onschuld in de aarde stond; toen was het een pure icoon. Meegedragen in de optocht, is hij boven zijn status van potentieel teken uitgehaald. Hij is dan geen zuivere icoon meer, maar toch nog wel een teken met dominant iconisch kenmerk, nl. dat van de gelijkenis. Net als het Qualisign komt de icoon dus in de werkelijkheid niet in zuivere vorm voor. De icoon in strikte zin bestaat alleen volgens de zijnswijze van het mogelijke. Hij is, net als het Qualisign, een First. Als onze kalebas dan toch een icoon wordt genoemd, bedoelen we dat het een teken is met een overwegend iconisch karakter. Een landkaart is een iconisch teken. Ook: een tekening, en trouwens alle afbeeldende voorstellingen (foto’s, schilderijen), omdat ze hun tekenkarakter vooral aan een gelijkenisrelatie tussen teken en denotatum ontlenen. In het volgende hoofdstuk kom ik nog uitgebreider op het iconische teken terug, en geef dan ook voorbeelden van iconiciteit in taal.
Een index is een teken dat voor zijn tekenkarakter afhankelijk is van het bestaan van een denotatum. Het is dus, in Peirces terminologie, een Second. De relatie tussen teken en denotatum is er in dit geval een van aangrenzendheid. Geen rook zonder vuur, zeggen we. Rook kan inderdaad als een teken voor vuur worden beschouwd, en dan is het een index. Een windwijzer is een index, en ook een voetafdruk, omdat die aangrenzend is geweest met het levende wezen dat hem heeft achtergelaten. Alles wat ergens de aandacht op vestigt is een index, of het nu een uitgestoken vinger, een wegwijzer, een veelbetekenend kuchje, een Ajax-petje of een aanwijzend voornaamwoord is. Alle deictische woorden (type: ‘hier’, ‘vandaag’, ‘dit’) zijn indices. Omdat het indexicale teken per definitie afhankelijk is van het bestaan van zijn denotatum (zonder wind geen windvaan, zonder kasteel geen bordje ‘Naar het kasteel’), heeft het daarmee noodzakelijkerwijs een of andere eigenschap gemeen. Indexicaliteit impliceert dus op een bepaalde manier iconiciteit.
Het symbool is een teken waarbij de relatie tussen teken en denotatum wordt bepaald door een algemeen geldige regel. Als iemand mij een vraag stelt en ik beweeg mijn hoofd van boven naar beneden, dan neemt de vraagsteller aan dat ik zijn vraag bevestigend beantwoord. Hij legt een relatie tussen dat knikken en een denotatum, dat we ‘ja’ of ‘bevestiging’ kunnen noemen. Tot zover beschouwd zou het teken een index kunnen zijn, maar dat is het niet. Het knikken wordt ja-knikken omdat het in verband wordt gebracht met een conventie: zo en zo knikken betekent ‘bevestigend antwoorden’. De Second die het teken op het eerste gezicht lijkt te zijn wordt met een algemene regel, een Third, in verband gebracht, en is dus een Third.
Het ja-knikken is een symbolisch teken, ook al doe ik het maar één keer. Elke keer dat ik ja knik, geef ik hetzelfde teken af, met hetzelfde denotatum en dezelfde interpretant. Die éne keer dat ik knik, is dus wel een soort index, maar een speciaal soort index, namelijk een replica van het algemeen toepasbare, symbolische teken dat het ja-knikken is. Als ik op een bladzijde tien keer de naam ‘Archibald’ tegenkom, zal ik niet denken dat er tien keer naar verschillende mannen verwezen wordt die allemaal toevallig dezelfde naam dragen. Ik neem aan met tien replica’s van hetzelfde teken te doen te hebben.
Omdat in de peirciaanse semiotiek het primaat van de representatie boven de interpretatie wordt gesteld, is de onderscheiding van de tekens naar hun teken-denotatum-relatie de meest fundamentele. Nu is die hypothese over dat primaat wel niet meer dan een hypothese, maar deze vindt toch duidelijk versterking in de omstandigheid dat in de onderzoekspraktijk gebleken is dat er juist met de begripsinstrumenten die Peirce voor deze tekenrelatie ontworpen heeft - icoon, index en symbool - goed te werken is. Ik denk dat dat komt doordat met de driedeling icoon-index-symbool de werking van tekens het meest wezenlijk wordt aangegeven. Iconische tekens zijn beeldende tekens. Zij berusten op een gelijkenis met wat bekend is. Gelijkenis met wat bekend is geeft een gevoel van veiligheid, en misschien is dat het wel wat iconische tekens een grotere meeslepende, verleidende kracht geeft dan andere. Voor wat de iconische taaltekens betreft, heeft Plato daarop al gewezen in zijn Cratylus: representatie van een denotatum door gelijkenis is superieur aan representatie door willekeurige tekens (die door Saussure ‘signes arbitraires’ zijn genoemd). Er zit veel iconiciteit in taal. Een enkeling, denkend aan Plato, spreekt van cratylisme. Peirce zelf veronderstelt dat taaltekens die wij nu als symbolisch ervaren in oorsprong een element van iconiciteit bevatten. Dat lijkt aannemelijk. Jakobson geeft het grappige voorbeeld van een Duitssprekende oude vrouw aan wie werd verteld dat het Franse woord voor kaas ‘fromage’ is, en die antwoordde: ‘Aber ”Käse” ist doch viel natürlicher.' Zij kende iconiciteit toe waar die objectief afwezig lijkt. Zo vinden we ook dat namen bij mensen horen; er is als het ware een behoefte aan iconiciteit.
Wij leven trouwens in een tijd waarin iconische tekens in het tekengebruik een steeds grotere plaats krijgen. Overal waar beeldende tekens taaltekens, symbolen, vervangen, constateren we dat. 'Uitgang’ wordt een pijl die uit een cirkel-met-opening te voorschijn komt. ‘Rechtsaf verboden’ wordt een gebogen pijl met een streep erdoor. ‘Stop’ wordt een afbeelding van een man met gespreide armen. Waar tv-kijken het lezen vervangt, gaat men van symboliciteit over op iconiciteit. Uiteraard speelt hier de communicatieheftigheid van onze tijd een rol; voor communicatie over de grenzen van cultuurkringen en zelfs landsgrenzen heen zijn de niet- taalgebonden iconische tekens bij uitstek geschikt.
Ook helpen iconische tekens bij snelle informatieverwerking. Overal waar iets overzichtelijk wordt gemaakt door diagrammen, statistieken, formules, de dingen keurig onder elkaar te zetten, schema’s, accolades enz. , wordt gebruik gemaakt van de speciale werkzaamheid van iconische tekens. We kunnen erdoor aan inzicht winnen. De algebra, zegt Peirce, maakt gebruik van iconiciteit.
Indexicale tekens zijn verwijzende tekens. Ze berusten op existentiële aangrenzendheid. Daarom zijn zij waarschijnlijk de tekens met de grootste existentiële indringende kracht. Daden zeggen meer dan woorden, vinden we. Dat komt doordat daden indices zijn en woorden symbolen. Een eenvoudige aanraking, die een index is, heeft meer semiotische kracht dan een uitgebreide uiteenzetting in woorden. Ik denk dat we ons in de praktijk van het dagelijks leven het meest laten leiden door wat indexicale tekens ons over de werkelijkheid vertellen.
Symbolische tekens zijn tekens-door-afspraak. Zij zijn daardoor en meer aan het sociale gebonden en noodzakelijkerwijs geraffineerder. ‘Sophisticated’ is het woord dat ik het liefst zou gebruiken om de symbolische tekens van andere te onderscheiden. Denken, redeneren, overtuigen, dat moeten we met symbolische tekens doen. We kunnen ze ook niet missen als we iets ingewikkelds, iets van enige abstractiegraad mee te delen hebben. Het aardigste voorbeeld kunnen we buiten de mensenwereld vinden, nl. bij de bijen. Door een bepaalde manier van ‘dansen’ kunnen bijen laten weten in welke richting en hoe ver weg nectar te vinden is. Die bijen-’taal’ is opgebouwd uit symbolen.
Beeldende tekens, verwijzende tekens, tekens-door-afspraak, dat is het fundamentele semiotische instrumentarium waarover we beschikken. De eerste soort ‘verleidt’ ons, de tweede ‘raakt’ ons, de derde ‘overtuigt’ ons. Afhankelijk van de bedoelingen die aan het tekengebruik ten grondslag liggen zal een verzameling tekens meer of minder iconen, indices of symbolen bevatten. Meer iconen in poëzie, reclame en politiek taalgebruik. Meer indices waar getroost of bemind wordt. Meer symbolen in koele verslagen, in wetenschap.