Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

INTERPRETANT

Peirce heeft de interpretant een gelijkwaardig of eventueel hoger ontwikkeld teken genoemd dat in de geest van de interpreterende persoon ontstaat. Het teken, dat pas een teken is als het als zodanig functioneert, d.w.z. op grond van het een of ander een proces van representatie en interpretatie op gang brengt, leidt dus tot de ontwikkeling van een ander teken. Zo’n veronderstelling roept onmiddellijk het beeld op van een zich oneindig voortzettende keten van tekens. Als de interpretant een teken is, dan kan zich daaruit weer een nieuwe interpretant ontwikkelen, en zo ad infinitum. Dat is een nogal schrikbarend beeld, want, als het eind van de interpretatieketen zoek lijkt, hoe moet die dan beschreven worden? Deze verontrusting kan alleen maar enigszins bezworen worden door te wijzen op de mogelijkheid om als het ware sectie te verrichten op de interpretatieketen en het onderzoek te beperken tot een bepaald segment daaruit. Beschrijving van een teken is noodzakelijkerwijs het resultaat van zo’n sectie: het onderzoek richt zich op de ontwikkeling van een bepaalde interpretant - of bepaalde interpretanten - uit één bepaalde teken-denotatum-relatie, in het besef dat wat daaraan voorafgaat of daarop volgt tussen haakjes is gezet. Anderzijds kan de onrust over de onbegrensdheid van de interpretatieve ontwikkelingsserie ook tot heilzame bescheidenheid leiden en wel in die zin dat nooit de pretentie kan bestaan dat de interpretatieve relatie definitief gefixeerd is: men is nooit uitgeïnterpreteerd.
Dit geldt niet alleen voor de op de toekomst gerichte kijkrichting. Als men aanneemt dat elk teken leidt tot de ontwikkeling van een ander teken en zo ad infinitum, dan moet men ook aannemen dat het teken alleen maar als begin van zo’n keten beschouwd kan worden door een ingreep van de onderzoeker, die wat voorafging kunstmatig heeft weggesneden. In werkelijkheid is ieder teken te beschouwen als de interpretant van een voorafgaand teken. Zoals men zijn blik kan richten op de volgende interpretant die zich uit het als uitgangspunt gekozen teken ontwikkelt, zo kan men ook de blik terug richten op het voorafgaande teken - de voorafgaande tekens - waaruit het zich heeft ontwikkeld.
Uit het voorafgaande kan worden geconcludeerd dat de historiciteit als het ware in het teken zit ingebakken. De keuze van een bepaald element uit de werkelijkheid dat tot teken wordt verklaard berust al op een interpretatie van die werkelijkheid. Zo’n opmerking zal degenen die een bepaalde manier van wetenschap bedrijven zijn a-historiciteit (men spreekt ook wel van reductionisme) verwijten waarschijnlijk genoegen doen. Bij die genoegdoening laat ik het hierbij. Naar mijn opvatting is het zinrijk om de a-historische, zeg, reductionistische ingreep te verrichten en het tekenproces in eerste instantie te bestuderen als een klein bevroren segment tussen één teken en zijn interpretant. Peirce onderscheidt drie soorten interpretanten (ik handhaaf weer de Engelse benamingen):
1. Rhemes
2. Dicisigns (of: Dicent Signs)
3. Arguments
Een teken is een Rheme als het geïnterpreteerd kan worden als representant van een mogelijk denotatum. Een voorbeeld vormt het element x in de zin: ‘Piet is x.’ Het is duidelijk dat x hier een teken is, maar alleen nog maar volgens de zijnswijze van het mogelijke. Pas als voor x iets wordt ingevuld als ‘lief’ of ‘intelligent’, krijgt het teken een denotatum toegewezen en kan het geïnterpreteerd worden. Een ander voorbeeld is het losse woord ‘tafel’. We weten wel dat het een taalteken is, maar zonder context heeft het alleen nog maar mogelijke denotata, en dus ook mogelijke interpretanten.
Een teken is een Dicisign als het, ten opzichte van zijn interpretant, een werkelijk bestaande relatie biedt tussen teken en denotatum. 'Piet is lief’, als zinnetje in zijn geheel, is een Dicisign, want het is én los van de zijnswijze van het mogelijke én nog niet toegetreden tot het domein van het algemeen geldige. Het is een Second, en geen First zoals de Rheme. Omdat voor Peirce semiotiek gelijk is aan logica, beschouwt hij Dicisigns als logische proposities. En omgekeerd.
Peirces vertrekpunt als logicus verklaart ook waarom hij tekens; die, ten opzichte van hun interpretant, tekens van algemene geldigheid zijn Arguments heeft genoemd. Het Argument is uiteraard een Third. Als, in de interpretatieve tekenrelatie, het teken niet wordt opgevat als iets éénmaligs, maar als een deel van een klasse, dan is het een Argument. Het voorbeeld bij uitstek is het traditionele syllogisme ‘Alle mensen zijn sterfelijk. Socrates is een mens. Socrates is sterfelijk.’ Drie proposities die samen een Argument vormen. Maar iedere coherente serie zinnen, of die nu kort is (een sequentie, een alinea) of lang (een gedicht, een verhaal, een roman, een toneelstuk), is net zo goed in zijn geheel genomen een Argument. En net zo goed als het syllogisme is opgebouwd uit proposities (Dicisigns) is het grotere taalbouwsel ook opgebouwd uit Dicisigns.
Dit Argument, deze interpretant met zijn algemene betekenis, is het waar het Peirce in de semiotiek uiteindelijk om gaat. Hieraan kunnen namelijk bespiegelingen over de waarheid worden vastgeknoopt. Een teken is voor de semioticus - en daaronder moet ook worden begrepen de niet-theoretiserende tekengebruiker die wij allemaal in de alledaagse levenspraktijk zijn - alleen maar echt interessant als het kan worden geplaatst binnen een generaliserende interpretatie. We zien iets, er gebeurt iets, en we vragen ons af: ‘Wat betekent dat?’ Die vraag is, naar het verleden gericht, te vertalen als: 'Welke algemeen geldige regel gaat er vooraf aan het optreden van dit teken?’ Naar de toekomst gericht is de vraag: 'In welk algemeen kader kan dit teken worden geplaatst?’ Hoe men ook kijkt, in beide gevallen dringt het teken op naar een vraag naar de waarheid. De bestudering van Arguments kan helderheid brengen over de waarheidskracht van semiotische systemen waarmee we geconfronteerd worden en ons waakzaam maken voor het bedrog dat ermee kan worden gepleegd.
Hoewel het hier uiteindelijk om gaat in de semiotiek, krijgt toch de interpretatieve tekenrelatie een relatief kleine plaats in dit boek. Dat komt doordat het mijn bedoeling is om vooral instrumenten aan te dragen die het mogelijk moeten maken om te bekijken hoe tekens functioneren, hoe ze manipuleerbaar zijn. Wat er op het vlak van de interpretatie allemaal gebeurt, kan de lezer met deze instrumenten in de hand dan misschien wat scherper onderkennen. Ik laat dat graag aan zijn waakzaamheid over.