Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

EEN TEKENTYPOLOGIE

Aan de hand van de in de vorige drie paragrafen genoemde onderscheidingen in soorten van tekens is het mogelijk om een tekentypologie te maken. Dat kan worden gedaan door steeds een element uit een driedeling te combineren met twee andere, uit de andere trichotomieën. Zo kan bijvoorbeeld een Legisign tegelijk icoon en Rheme zijn, of icoon en Dicisign, of symbool en Argument, enz. Het aantal combinatiemogelijkheden lijkt groter dan het is, omdat sommige combinaties onmogelijk en andere juist weer noodzakelijk zijn. Het heeft geen zin om daar gedetailleerd op in te gaan. Laat ik volstaan met te zeggen dat Peirce tot een onderscheiding in tien tekenklassen gekomen is.
Welke die tien tekenklassen zijn, wordt hieronder uiterst beknopt, met een enkel voorbeeld erbij, aangegeven.
Een opmerking daarbij. Ik kan me voorstellen dat het de lezer duizelt als hij de samenballing van onbekende, nieuwe, peirciaanse termen onder elkaar aantreft. Misschien is dit hem te veel ineens. Laat hij dan beseffen dat het voor verder begrip van dit boek niet noodzakelijk is om de elementen van deze typologie paraat te hebben. Ze worden hier volledigheidshalve gegeven. Om die typologie duidelijker te presenteren zou meer, te veel, ruimte nodig zijn. De typologie helemaal weglaten in een inleiding tot de peirciaanse semiotiek kan ook niet, daarvoor is hij te typerend voor Peirces lekentheorie. Vandaar de gekozen oplossing, waarvan ik hoop dat hij de lezer niet al te zeer zal afschrikken. Die tien tekenklassen zijn de volgende:
  1. Een Qualisign. Zou eigenlijk voluit moeten heten: rhematisch iconisch Qualisign. Maar omdat ieder Qualisign noodzakelijkerwijs ook een icoon en een Rheme is, kunnen de adjectieven onvermeld blijven.
    Voorbeeld: de eigenschap ‘rood’.
  2. Een iconisch Sinsign. Is altijd een Rheme.
    Voorbeeld: de kalebas die op een staatsman kan gaan lijken.
  3. Een rhematisch indexicaal Sinsign.
    Voorbeeld: een spontane kreet, die de aandacht op iets vestigt.
  4. Een dicent Sinsign. Is altijd indexicaal.
    Voorbeeld: een windwijzer.
  5. Een iconisch Legisign. Is altijd een Rheme.
    Voorbeeld: een staafdiagram, waarbij geen andere tekens (symbolen) een of andere interpretatie aangeven.
  6. Een rhematisch indexicaal Legisign.
    Voorbeeld: een deictisch woord (‘hier’, ‘nu’), los van enige context of situatie.
  7. Een dicent indexicaal Legisign.
    Voorbeeld: de roep van de ijscoman op straat.
  8. Een rhematisch symbool. Is altijd een Legisign.
    Voorbeeld: een zelfstandig naamwoord, los van enige context of situatie.
  9. Een dicent symbool. Is altijd een Legisign. Door Peirce ook wel een gewone propositie genoemd.
    Voorbeeld: een zin.
  10. Een Argument. Is altijd symbool en Legisign.
    Voorbeeld: een samengesteld tekenbouwsel als een gedicht, een roman, een syllogisme.
Het opstellen van zo’n tekentypologie is een interessant taxonomisch (classificerend) werk. Het dwingt tot het beschouwen van de belangrijkste kenmerken van een teken. Peirce heeft er zich jarenlang mee beziggehouden. Bovenstaande indeling heeft hij gemaakt in 1897. Later, in 1904, kwam hij met een verfijndere indeling op de proppen. Hij had de denotata in verschillende categorieën ingedeeld, en daardoor was het aantal tekenklassen dat hij onderkende enorm vergroot. Wat Linnaeus met de planten deed, heeft Peirce met de tekens gedaan.
Hij heeft echter terdege beseft dat zo’n taxonomisch werk geen doel op zichzelf is. Het classificeren is in hoofdzaak een bezigheid die ertoe kan leiden dat het inzicht wordt vergroot in het, geraffineerd, functioneren van tekens. Zelf geloof ik ook dat er weinig profijt te vinden is in het al maar door classificeren, in het ‘botaniseren’ van tekens. Zinrijker is het om te bekijken welke onderverdeling in categorieën - en eventueel in subcategorieën - ons handzame instrumenten bezorgt voor semiotische onderzoekingen. Maar dat neemt niet weg dat het nuttig kan zijn om ‘Peirces typologie in gedachten te houden. Dat geldt speciaal als men erop uit is om een zekere hiërarchie in de tekens te ontdekken. Aangenomen mag wel worden dat de tekenklassen met een hoger nummer ook ‘hoger ontwikkeld’ zijn. Zelfs kan worden verondersteld dat de ‘hogere’ tekens zich uit de ‘lagere’ ontwikkelen.
Een complex taalteken, een Argument, is een hoog ontwikkeld teken. Het is voor zijn opbouw echter afhankelijk van taaltekens die wat lager op de hiërarchische ladder staan. In origineel proza (denk aan het Carmiggelt-voorbeeld) zal die inbreng van de ‘lagere’ tekens - de individuele metafoor, bijvoorbeeld - groter zijn. Als die ‘lagere’ tekens dan later stijgen op de ladder, bijvoorbeeld doordat het Sinsign tot Legisign wordt (de individuele metafoor wordt gemeengoed), dan heeft er verrijking van de taal plaatsgevonden. Zo groeit een tekensysteem in rijkdom aan uitdrukkingsmogelijkheden, en gaat de gemeenschap over een genuanceerder semiotisch instrumentarium beschikken. Dit geldt niet alleen voor de taal trouwens. Ook de film, de gebarentaal, enz. kennen hun Arguments. De bijendans waarmee de plaats van de nectar wordt aangeduid is dat ook.