Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

SYNTAXIS EN PRAGMATIEK

Het teken functioneert nooit geïsoleerd. De Legisigns zijn ingebed in een systeem van regels die gelden voor tekens uit hetzelfde tekensysteem. Het functioneren van de tekens die aan deze regels onderworpen zijn, hangt dus af van de relatie waarin zij tot die andere tekens staan. Op een wat andere manier geldt dit zelfs voor Sinsigns. De individuele pijnkreet kan alleen als teken herkend worden als er een bekendheid bestaat met het als teken functioneren van kreten, ook al zouden die andere kreten tekens van vreugde zijn. Kortom, tekens functioneren in relatie tot andere tekens. De studie van deze relatie, die dikwijls gericht zal zijn op het zoeken naar de regels die aan het gezamenlijk functioneren ten grondslag ligt, is de semiotische syntaxis.
Met de semiotische syntaxis wordt de basis gelegd van de 'grammatica' van een bepaald semiotisch systeem. Zo’n ‘grammatica’ bestaat uit een syntaxis, een semantiek en een pragmatiek. Als men die begint op te stellen, moeten in de eerste plaats àlle tekens worden opgespoord die binnen het systeem functioneren. Daarbij zal men dikwijls ontdekken dat sommige tekens heel opvallend zijn, doordat ze, om zo te zeggen, gemarkeerd zijn. De zenuwtrek is opvallend. Een teken voor zenuwachtigheid, zeggen we. Maar hij is alleen zo opvallend omdat hij zich aftekent tegen de overwegend aangetroffen rust van de gelaatsspieren. In de ‘grammatica’ van de gelaatsuitdrukking kan de zenuwtrek alleen zijn plaats krijgen omdat er een niet-gemarkeerd teken bestaat: afwezigheid van zenuwtrek, als teken voor niet-zenuwachtigheid. Van de gedachte uit dat er minstens één teken voor niet-zenuwachtigheid bestaat, kan men dan mogelijk komen tot het vinden van andere tekens met dezelfde functie. Neem het geval van ‘Er was eens’ aan het begin van een verhaal. Dat is een teken voor ‘sprookje’. De gedachte kan zich opdringen dat afwezigheid van ‘Er was eens’ een niet-gemarkeerd teken zou zijn voor ‘niet-sprookje’. We weten allemaal dat dat niet zo is. Een sprookje kan, in afwezigheid van ‘Er was eens’, andere tekens bevatten die het tot een sprookje maken. Dat betekent dan ook meteen weer dat afwezigheid van ‘Er was eens' niet voldoende is om afdoende als teken voor 'niet-sprookje’ te worden opgevat. In de semiotische syntaxis van het sprookje heeft ‘Er was eens’ een plaats, maar een plaats naast andere al of niet aanwezige tekens. Er zal in het sprookje een verhaal moeten worden verteld. Dat verhaal zal waarschijnlijk bepaalde kenmerken moeten hebben. Deze kenmerken behoren tot de syntaxis van het sprookje. Maar ook de afwezigheid van zinsdelen als ‘Onze speciale correspondent in Jeruzalem meldt’ behoort daartoe.
De semiotische syntaxis kan zich niet beperken tot het bestuderen van de relatie tussen tekens binnen hetzelfde tekensysteem. De pijnkreet kan vergezeld gaan van een grimas: ze behoren tot verschillende tekensystemen, maar werken wel samen. Zo kan de semiotische syntaxis van de verkeerstekens de economie bestuderen van tekens uit verschillende systemen: kleur en vorm werken samen, want rood is gevaar of verbod en rond is dat ook, terwijl en blauw en vierkant erop wijzen dat iets geadviseerd of toegelaten wordt. Zo werken verschillende ‘talen’ samen. Zo gebeurt dat ook in een film, waar beeld en gesproken woord elkaar ondersteunen, en op hun beurt weer de steun krijgen van filmmuziek. In de gewone gesprekssituatie functioneren tekens uit vele verschillende systemen samen, het taaltekensysteem naast het paralinguïstische (stemtimbre, intonatie) en andere (gebaren, houding, gelaatsuitdrukking, afstand, enz.). Er kan ook heel goed contrastwerking of tegenspraak ontstaan tussen de tekens uit verschillende systemen; Dat doet zich het duidelijkst voor bij ironie. Een misprijzende toon of gelaatsuitdrukking kan de denotatie van het letterlijk uitgesprokene te niet doen en de interpretatie in zijn tegendeel doen verkeren. ('Piet, het was weer geweldig,’ zegt de leraar en geeft de arme jongen een zwaar onvoldoende repetitie terug. Zijn blik is veelbetekenend.)
De moeilijkheid bij dit alles is dat het betekenisaspect, het interpretatieve, niet geheel buiten beschouwing kan blijven. Ik vraag me af of het nodig is om daar al te strikt in te zijn. Men beweegt zich op het gebied van de semiotische syntaxis zolang de eerste interesse uitgaat naar de relatie tussen de tekens.
jetaime
Deze heer toont ons drie gelaatsuitdrukkingen. Hij zegt: ‘Je t’aime’. Twee tekensystemen werken samen:
taal en gelaatsuitdrukking.
Als het onderzoek zich richt op de relatie tussen tekens en hun denotatum en interpretant, dan begeeft het zich op het terrein van de semiotische semantiek. De vragen die zich hier voordoen zijn die naar de denotata die aan tekens kunnen worden toegewezen en de consequenties daarvan voor de interpretatie. Of omgekeerd: hoe bepaalde denotata door verschillende tekens kunnen worden gerepresenteerd, en wat daarvan de consequenties voor de interpretatie zijn.
Er is een belangrijk verschil tussen syntaxis en semantiek voor wat betreft de attitude van de wetenschapper die er zich mee bezighoudt. Zolang deze zich nog binnen het gebied van de syntaxis bevindt, heeft hij het gevoel vaste grond onder de voeten te hebben. De feiten die hij beschrijft en rangschikt hebben iets overzichtelijks. Ze lijken begrensd te zijn. De uitspraken die erover gedaan worden zijn controleerbaar. Er is rood en blauw, rond en vierkant. Er zijn grote en kleine huizen, harde en zachte stemmen, lange en korte zinnen. Maar als hij het gebied van de semantiek binnenkomt, dan verliest alles zijn heldere contouren. Betekent 'harde stem’ altijd agressie en ‘zachte stem’ altijd zachtmoedigheid, of zoiets? Hoe moet het gebruik van korte of lange zinnen worden geïnterpreteerd?
We zijn nooit uitgeïnterpreteerd, heb ik gezegd. Voor sommige wetenschappers is dat een ondraaglijke gedachte. De semantiek is een griezelig gebied, waar allerlei zekerheden wegvallen, en dat sommigen het liefst maar helemaal niet zouden betreden. Maar het is ook het meest fascinerende gebied, en iedereen begrijpt dat niets sterieler zou zijn dan in het gebied van de syntaxis blijven steken. Daar komt nog bij dat er van de semantiek zo’n sterke uitstraling uitgaat, en dat syntactische bevindingen hun verklaring niet kunnen krijgen dan door een belichting vanuit dat onzekere gebied van de semantiek.
De oplossing kan niet anders zijn dan dat iedere krampachtigheid hier over boord wordt gezet. En dat kan ook, lijkt me, zonder dat we van de semiotische semantiek of van de gehele semiotiek een wildernis van speculatie maken. Ook uitspraken op het gebied van de semantiek kunnen aannemelijk gemaakt worden en zo geformuleerd dat er een zo groot mogelijke toetsbaarheid van die uitspraken bestaat.
Een speciale moeilijkheid die zich voordoet, zowel voor de semiotische syntaxis als voor de semiotische semantiek, schuilt in het te gebruiken begrippenapparaat. Met Peirces begrippen kan men een eind komen, dat lijkt me zeker. Maar daarnaast is er toch de zuigkracht die uitgaat van de linguïstiek. Voor het beschrijven van de verschijnselen op het gebied van syntaxis en semantiek worden aan de linguïstiek vaak begrippen ontleend. Het gebruik van woorden als ‘grammatica’, ‘syntaxis’ en ‘semantiek’ wijst daar al voldoende op. Tegen dit ontlenen van termen is geen' bezwaar, als maar goed wordt beseft dat ze in de semiotiek metaforisch gebruikt worden en dat de linguïstiek niet klakkeloos als model voor de semiotiek kan worden gesteld.
Men betreedt het gebied van de semiotische pragmatiek als de relatie tussen teken en tekengebruiker voorwerp van het onderzoek wordt.
Voor de semiotische pragmatiek is nog geen uitgewerkt begrippenapparaat voorhanden. Vragen als ‘Wat beweegt een afzender tot tekengebruik?’, ‘Wat gebeurt er als iemand een teken ontvangt?’, 'Van welke vooronderstellingen wordt bij het tekengebruik uitgegaan, door afzender en door ontvanger?’, ‘Wat ligt ten grondslag aan het tekengebruik binnen een bepaalde gemeenschap?’, het zijn allemaal vragen van pragmatische aard. Voor de beantwoording ervan moet een beroep worden gedaan op begrippen die aan psychologie, sociologie of linguïstische pragmatiek ontleend zijn.
Een belangwekkende aanzet tot de pragmatiek is gegeven door de filosoof J. L. Austin, die zich heeft afgevraagd wat we eigenlijk doen als we iets zeggen. Natuurlijk doen we altijd iets als we iets zeggen, maar niet steeds hetzelfde. ‘Een stier,’ roepen we uit, en laten merken dat we een stier zien. Of we wijzen een ander op de stier die hij anders niet zou hebben opgemerkt. Of we waarschuwen op deze manier die ander, en nodigen hem uit het op een lopen te zetten. Soms kunnen we iets alleen maar doen door een bepaalde formule uit te spreken. Iets beloven, bijvoorbeeld, of trouwen, of de oorlog verklaren, of de vergadering openen. Voor deze verschillende werkingsmogelijkheden van de taaltekens heeft Austin termen bedacht die in de pragmatiek gebruikt kunnen worden.
Er zullen ook gevallen zijn waarvoor de begrippen nog ontworpen moeten worden. Als ik op straat hard loop, wordt mij achterna geroepen: ‘Ze hebben hem al, hoor!’ Wandel ik rond met een boeketje bloemen, dan hoor ik: ‘Jij hebt zeker wat goed te maken?’ Wat beweegt de afzenders van deze taaltekens? Ze willen bereiken dat ik mij niet afwijkend gedraag, dat ik zal ophouden zoiets mals te doen als hardlopen of met bloemen rondwandelen. Ze willen mij bezweren, door middel van voorhanden zijnde formules. Deze formules zijn bezweringsformules, bestemd om een soort magische uitwerking te hebben. Hoe door taaltekens - en door andere tekens - magie kan worden uitgeoefend, dat is een pragmatisch vraagstuk, waarvoor de methodologie nog ontworpen moet worden.
Vragen als ‘Wat beweegt de tekenafzender?' of ‘Onder welke omstandigheden lukt of mislukt het tekengebruik?’ kunnen natuurlijk ook voor niet-talige semiosis gesteld worden. Het keurige pruimenmondje van meneer X is voor de causaal ingestelde pragmaticus een teken (een index) voor zijn nette opvoeding, maar voor de naar het doel van de dingen kijkende pragmaticus een teken voor de behoefte van X om een bepaalde indruk te maken. Een derde. zal vinden dat het hier om een index gaat voor een hooggestemde levensopvatting. De discussie over wie hier gelijk heeft is in ieder geval van pragmatische orde.
Het ontbreken van een specifiek pragmatisch-semiotisch begrippenapparaat moet niet verhinderen dat zulke discussies gevoerd worden, dat er pragmatische vragen worden gesteld en dat men probeert ze te beantwoorden. Want het zijn dikwijls de belangrijkste of althans de belangwekkendste vragen die de semiotiek te stellen heeft. Ook hier geldt weer: als deze vragen niet in het uitzicht worden gesteld, zou het semiotisch onderzoek steriel zijn.
Nog even terug naar onze Duitsers in hun kuil aan het strand. We herkennen in de schelpjes een teken omdat ze het woord ‘Duisburg’ vormen.
Wat is dat voor een soort teken? Binnen welke code past het? Werkt het soms samen met andere tekens (vlaggetjes, klankflarden, zingen, haarinplant, bierbuikjes, kleding, enz.)? Dat zijn vragen van syntactische aard.
Hoe interpreteren we het teken? Lukt of mislukt de interpretatie, en waar hangt dat van af ? Vragen van semantische aard.
Waarom (waardoor, met welk doel) doen die mensen dat, een kuil graven en de zandwal voorzien van een plaatsnaam? Doen hun landgenoten dat meer, en wat zit daar achter? Hoe komt het dat we dit teken herkennen? Welke zijn onze vooronderstellingen, voor we aan het interpreteren beginnen? Dat zijn vragen van pragmatische aard.
Hoe completer onze vraagstelling en beantwoording, hoe completer onze ‘grammatica’ van het kuil-graven-en-met-schelpjes-versieren.