Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

SYMPTOMEN EN SIGNALEN

Het belangrijkste onderscheid, op pragmatisch niveau, is dat tussen symptomen en signalen. Dat onderscheid kan worden gemaakt aan de hand van de vraag: is het teken door een afzender bedoeld om een teken te zijn, ja of nee? Is het antwoord ‘ja’, dan heeft men met een signaal te maken. Is het antwoord ‘nee’, dan is het teken een symptoom. Achter het signaal zit dus een tekengevend bewustzijn, achter het symptoom niet.
In veel gevallen zal het eenvoudig zijn om uit te maken of men met symptomen of met signalen te maken heeft. Grofweg gesteld hebben natuurwetenschappers alleen met symptomen te maken. Ze vergelijken metingen en benoemen geconstateerde regelmatigheden en verschillen tot teken, d.w.z. verwijzingen naar denotata die ze als de werkelijkheid beschouwen en waarover ze, al interpreterend, allerlei interessante uitspraken doen. Ze lezen een thermometer af en concluderen 'Het is warmer geworden’ of 'De koorts is gezakt.’ Daar komt geen teken-afgevend bewustzijn aan te pas. Kortom, buiten een communicatiesituatie om, heeft degene die tekens interpreteert alleen maar met symptomen van doen.
Binnen een communicatiesituatie daarentegen gaat de aandacht in de eerste plaats naar signalen uit. Als ik op een bankje in het park zit en er komt een heer naast mij zitten met de woorden ‘Lekker weertje, hè?’, dan zal ik dat als een signaal opvatten: deze man heeft de bedoeling om een praatje met mij te maken.
Maar heel eenvoudig ligt de zaak toch niet. Want, terwijl ik dit signaal als signaal herken, zal ik ondertussen ook speuren naar symptomen, naar tekens die de man afgeeft zonder dat hij dat zelf in de gaten heeft. Misschien komt hij wel iets dichterbij zitten dan gebruikelijk is of mij in dit geval lief is. Misschien kijkt hij me wel wat al te lang, te doordringend, te opdringerig, te communicatiehongerig aan. Van die symptomen zal ik het, meer nog dan van het afgegeven signaal, laten afhangen in welke mate ik op zijn communicatie-aanbod in zal gaan.
Dat komt doordat de zeggingskracht, of liever nog: de waarheidskracht, van symptomen vele malen groter is dan die van signalen. Men zou kunnen stellen: signalen kunnen liegen, maar symptomen niet. Hoe kan men te weten komen of men bemind wordt of begeerd? Er kunnen zinnen worden uitgesproken als ‘lk hou van je’ of 'Ik wil met je naar bed.’ Maar het blijft altijd mogelijk dat daarmee de waarheid niet gezegd is. Een plotselinge blos echter, of een erectie, hebben een grotere zeggingskracht. Juist omdat ze niet door een tekengevend bewustzijn zijn geproduceerd hebben we de indruk dat hun waarheidskracht als teken groter is. Blos en erectie, die liegen er niet om.
In zekere zin is de studie van signalen eenvoudiger dan die van symptomen. Dat vloeit voort uit de omstandigheid dat in het geval van signaalgebruik er tussen de tekengebruikers een overeenkomst bestaat op het punt van de keuze van het gebruikte tekensysteem. In het verkeer, bijvoorbeeld, communiceert de wetgever met de verkeersdeelnemers via een geheel van tekens waarover geen misverstanden bestaan. Het is opgebouwd uit tekens op borden, uit lichtsignalen, gebaren van geüniformeerde personen, strepen op de weg, geluiden en misschien nog wat. Vormen, kleuren, woorden spelen een rol. Alle verkeersdeelnemers weten wat er met die verkeerstekens wordt bedoeld. En de semioticus die ze bestudeert, weet precies welke elementen hij wel en welke hij niet in beschouwing hoeft te nemen. Vandaar ook dat de communicatiesemiologie zich alleen met dit soort tekens, met signalen, bezig wil houden. En het lijkt zo gek nog niet om, als semiotische vingeroefening, eerst pure communicatiesemiotiek te bedrijven alvorens men zich met de rol van symptomen in de communicatiesituatie bezig gaat houden.
Maar het is natuurlijk aantrekkelijk om, ook waar het communicatiesituaties betreft, de rol van symptomen daarin aan een onderzoek te onderwerpen. Want die ongewilde, onbedoelde, onbewust afgegeven tekens hebben ons immers meer te vertellen. Een waarheid die zich verraadt, is immers veel interessanter dan een waarheid die zich aanbiedt. Een waarheid die zich expliciet als waarheid aanbiedt, is dikwijls of slapjes neutraal of een beetje verdacht. Men denke bijvoorbeeld aan tekstinterpretatie. Het is de moeite waard om eerst te proberen een moeilijke tekst te begrijpen: Wat staat er? Waar gaat het over? Hoe vertel ik dit in eigen woorden na? Alles goed en wel, maar veel aardiger is het om er achter te komen wat de schrijver ‘verraadt’, wat hij zegt, misschien wel zonder het zelf te willen. Eerst wordt de tekst opgevat als een samenstel van signalen, maar al gauw zoekt men naar symptomen; zoals bekend kan alles als zodanig worden opgevat.
Om ook over symptomen binnen een communicatiesituatie te kunnen spreken, moet wel dat begrip 'communicatiesituatie' wat worden uitgebreid, of, zo men wil, wat worden aangelengd. Dat gebeurt altijd eenzijdig door de tekenbenoemer. Stel dat mijn buurman een patserige auto voor de deur heeft staan, en ik verbind daar de conclusie aan dat hij daarmee de buurt wil imponeren. Ik heb dan aangenomen dat die auto past in een tekensysteem door middel waarvan buurman met zijn omgeving wil communiceren, echter zonder hem gevraagd te hebben of dat inderdaad zo is.
Een dubieuze zaak, uiteraard, deze eenzijdige symptoombenoeming, omdat de afzender van het ongewilde teken daarin geen zeggenschap heeft. Om mijn hoofd tegen de kou te beschermen draag ik in de winter dikwijls een hoed. Die is - heb ik gemerkt - van een nogal jolig model. Toen ik, met die hoed op, mijn collega A. tegenkwam, riep hij eerst uit 'Monsieur Hulot’, later ‘Dat krijg je ervan als je jong wilt lijken’, en tot slot, toen hij hoorde dat ik op weg was naar een ernstige vergadering: ‘Nou begrijp ik Waarom je er joyeus uit wil zien.’ Die hoed, die ik, naar ik meende, alleen maar droeg om geen koud hoofd te krijgen, moest en zou voor hem een teken zijn. Of ik wilde of niet. Bezwaar maken heeft geen zin. De vraag is niet of de tekeninterpretator het recht heeft om tot zijn eenzijdige tekenbenoeming en -interpretatie over te gaan. Hij kan dat eenvoudigweg doen, en doet dat ook. Het is nu eenmaal mogelijk om overal wat achter te zoeken.
De semioticus Sebeok heeft voorgesteld om de categorieën ‘symptoom’ en ‘signaal’ toe te voegen aan Peirces drie categorieën ‘icoon’, ‘index’ en ‘symbool’. Het zou onjuist zijn om die suggestie over te nemen. Het, pragmatische, onderscheid tussen symptomen en signalen moet niet worden geplaatst naast het, semantisch, onderscheid tussen iconen, indices en symbolen; het loopt er dwars doorheen. Er zijn iconen die symptomen zijn en er zijn er die signalen zijn. Enzovoort. Er zijn dus ook symbolen (bijvoorbeeld taaluitingen) waarvan het gebruik als symptoom kan worden opgevat. Iets dergelijks gebeurt in reclamespots, waarin aan passerende dames wordt gevraagd wat ze van een bak- en braadmiddel vinden. Allemaal zijn ze dolenthousiast, en de argeloze tv-kijkster denkt dat het spontane reacties zijn. Natuurlijk is dat niet zo; men heeft hier met symptoomnabootsing te maken. Dat verschijnsel van de symptoomnabootsing geeft aan zulke reclamespots die valse, onwaarachtige, verlakkerige toon. Waarom ze dan toch zo gemaakt worden? Omdat de reclamejongens weten dat symptomen grotere zeggingskracht hebben dan signalen. Ze speculeren op de semiotische onnozelheid van hun tv-publiek. In principe handelen ze niet anders dan fatale vrouwen die net doen of ze zich laten gaan. maar ondertussen dondersgoed weten wat ze doen. Zo weet Madame de Merteuil, in Les liaisons dangereuses, haar hand in die van een te verleiden heer een veelbelovende siddering te geven. Een signaal wordt als symptoom vermomd. Zo’n teken is wel van een opperste indringende kracht, omdat het en een symptoom is en een index: de index is het meest ‘existentiële’, het symptoom het meest waarheidskrachtige van alle tekens. Dat moet wel het ideaal van reclamemakers zijn: het als symptomatische index vermomde signaal, de kunstmatige blos, de beheerste erectie.