Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

TEKENSYSYTEMEN

Een paar maal heb ik het al gehad over tekensystemen, zonder te zeggen wat dat zijn. Ik heb aangenomen dat de lezer wel begreep wat er bedoeld werd. Het lijkt me het beste om dat in grote trekken maar zo te laten, want het is niet gemakkelijk om precies te definiëren wat er onder een tekensysteem moet worden verstaan. Zeker is wel dat het iets te maken heeft met een bepaalde selectie in het waarnemen van tekens, en dus ook verband houdt met hun materialiteit. Ik denk ook aan een samenhang van expressievormen, maar ben bang dat met die woorden de ene vaagheid door een andere wordt vervangen.
Toch is het vrijwel onmogelijk zich te vergissen als het erom gaat om tekensystemen te onderscheiden. Nemen we bijvoorbeeld een gesprekssituatie. We constateren dat één van de gesprekspartners verlegen is. Dat teken ‘verlegenheid’ kan hij langs een veelvoud van verschillende tekensystemen afgeven, die we meestal metaforisch 'talen’ noemen. De ‘taal’ van zijn houding: hij zit op de punt van zijn stoel, zijn spieren zijn merkwaardig gespannen. De ‘taal’ van zijn gelaatsuitdrukkingen: hij likt al te frequent langs zijn lippen, hij knippert met zijn ogen. De ‘taal’ van zijn blikken: hij kijkt niemand aan als hij iets zegt. De ‘taal’ van zijn gebaren: hij friemelt aan zijn boordje. De ‘taal’ van de door hem geproduceerde gebeurtenissen: hij laat angstaanjagende stiltes vallen, hij gooit een glas om. De taal van zijn kleding: hij knoopt zijn colbertje niet los. Zijn taal, letterlijk: hij spreekt in moeizame zinnen. En al die tekensystemen die de taal begeleiden, maar in de linguïstiek niet beschreven worden (paralinguïstische tekensystemen): hij mompelt, hij stottert, het timbre van zijn stem is vreemd, hij slikt, snuift kucht.
Al die tekens die tot verschillende tekensystemen behoren, werken in dit geval duidelijk samen. Ze hebben allemaal hetzelfde denotatum: 'verlegenheid'. En ze leiden allemaal tot dezelfde interpretatie: 'Die jongen is verlegen.' Desondanks zien we in dat we hier met verschillende tekensystemen te maken hebben, want dat krampachtig gesloten knoopje is van een andere orde dan het zitten op de punt van de stoel. Er ligt een ander soort materialiteit aan ten grondslag en we nemen het ook via andere perceptieve selectieprincipes waar. En wat meer is: voor al die verschillende tekensystemen maken we gebruik, bij het tekenbenoemen en -interpreteren, van een andere Ground, laten we zeggen van een andere code. We zouden het tekensysteem dan misschien ook wel kunnen definiëren als dat door middel waarvan de code zijn uitdrukking kan vinden. Er zijn bevoorrechte tekensystemen, in die zin dat er tekensystemen zijn die meer dan andere als zodanig worden onderkend, beschreven en bestudeerd. Het meest bevoorrecht is in onze cultuur op het huidige moment ongetwijfeld het tekensysteem dat taal heet. Op dit eigenste moment is dat ook het tekensysteem waarvan ik gebruik maak om met u, lezer, te communiceren. Het lijkt wel of er geen ander is om dat te doen, als ik aan onbekende geïnteresseerden in een klap iets wil laten weten over mijn opvattingen over semiotiek En dan doe ik het nog op één van de twee mogelijke manieren waarop taal kan worden gehanteerd, nl. schriftelijk, met uitsluiting van de mondelinge variant.
Bevoorrecht lijkt dit schriftelijke-taal-systeem dus wel, maar tegelijkertijd beseffen we hoe armelijk het is, hoezeer een noodgreep, opgedrongen door het valse in deze oneigenlijke communicatiesituatie, waarin een van de partners, de afzender, afwezig is. Bij gebruik van het mondelinge-taalsysteem in een echte communicatiesituatie zijn allerlei mogelijkheden van correctie en bijsturing voorhanden. Daar worden de tekens ondersteund door allerlei andere, die een rol kunnen spelen naast de puur-talige. Taal is als tekensysteem bevoorrecht vanuit een oogpunt van traditie, want over de werkelijkheid en over de tekensystemen die ons een toegang tot die werkelijkheid schijnen te geven wordt traditioneel door middel van taal bericht gedaan. En vanuit een oogpunt van, laten we zeggen, distributie-effectiviteit - tenminste in wat wel de Gutenberg-galaxy is genoemd. Maar het privilege wankelt, ook op het gebied van de massamedia; het is al een gemeenplaats om het te zeggen. De taal puur, met zijn concentratie op het symbolische teken, moet meer en meer plaats inruimen voor de beeld-’taal’, met zijn concentratie op iconische tekens. Verhoudingsgewijs wordt er elke minuut meer en meer massaal gecommuniceerd via overwegend niet-talige tekensystemen, als film en tv. Een mooi voorbeeld van de overgang van het ene naar het andere tijdperk wordt geboden door het stripverhaal, waarin beide tekensystemen, taal en beeld-'taal', min of meer eendrachtig samenwerken. Hoe dat gebeurt, hoe die beide systemen ook bij de tekengebruikers om de voorrang strijden, biedt een interessant studieterrein. Laten we onze aandacht echter niet al te exclusief aan de massacommunicatie schenken. lk geloof dat de belangrijkste vormen van communicatie de niet-massale zijn. Op dat gebied is de rol van andere dan talige tekensystemen nog groter en ingrijpender dan elders. Denken we weer aan de verlegen gesprekspartner. Van zijn verlegenheid raken we uiteraard ook overtuigd door wat hij zegt. Maar het is wel zeker dat al die andere samenwerkende tekensystemen ons veel duidelijker, veel overtuigender en op een veel verfijndere wijze op de hoogte brengen van zijn verlegenheid dan die paar onhandige zinnen die hij uitspreekt. We weten het allemaal: als twee politici naar de gunst van de kiezers dingen, is het van ondergeschikt belang wat zij te vertellen hebben. Een ongunstig uiterlijk (zou u van deze man een tweedehands auto kopen?), een loense blik, een tic, het bederft onherroepelijk de uitwerking die alle mooie woorden zouden kunnen hebben. Kuif en open glimlach daarentegen doen alle talige zwakten desnoods vergeten. Er is dus een existentiële hiërarchie van tekensystemen, waarbij het onberedeneerde, het instinctieve, het duidelijk wint van het beredeneerbare, het rationele.
Het bestuderen van deze hiërarchie van tekensystemen moet een fascinerende bezigheid zijn. Een interessant gebied zou, om een voorbeeld te noemen, dat van de sexappeal zijn. De tekens die hierbij een rol spelen, zijn allemaal indices, zij zijn ‘aangrenzend’ voor' wat betreft het te verwachten erotisch genot. Symbolen - zeg: mooie woorden - spelen geen enkele rol, en hetzelfde kan, in mindere mate, gezegd worden van iconen: men begeert niet of zelden vanwege gelijkenis. Maar tot welke tekensystemen behoren de indices die de doorslag geven? Gedragstekens, geladen met veelbelovendheid, moeten het opnemen tegen Iichaamstaaltekens. Wie wordt meer begeerd, het uitdagende meisje of het mooie meisje (c.q. meneertje)? Wat is werkzamer, de beweging, de curve, de blik, de fijnkorreligheid van een huid, die en die aanraking?
Het meest flagrant worden de verschillen tussen de werkzaamheid van tekensystemen daar waar ze op het eerste gezicht los van elkaar worden gebruikt en toch gericht zijn op dezelfde denotatie. Een cultureel antropoloog heeft me verteld dat in Noord-Afrika de vraag ‘Hoe gaat het?’ altijd met ‘Goed’ wordt beantwoord, maar dat het ware antwoord af te lezen valt aan een nauw zichtbaar handgebaar dat het gesproken woord vergezelt. Hier werken tekensystemen elkaar tegen. En het is niet moeilijk vast te stellen welke van de twee het belangrijkst is. Maar ook waar tekensystemen samenwerken is het soms niet moeilijk om de hiërarchie van hun werkzaamheid vast te stellen. Kleine kinderen blijven soms onberoerd onder de meest angstaanjagende televisiebeelden, maar raken buiten zinnen van angst als de begeleidende muziek, die toch veelal als het secundaire tekensysteem zal worden beschouwd, dreigend wordt.