Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

VERKNOPINGEN

De tekens waarmee we worden geconfronteerd zijn zelden enkelvoudig, maar vrijwel altijd samengesteld. Dat geldt zelfs voor de meest simpele, voor de signalen waarmee de communicatiesemiologie zich bezighoudt, en die toch uitgekiend zijn volgens de regels van een bepaald soort ‘economie’. Dat houdt verband met een informatietheoretisch gegeven: hoe meer redundantie (overtolligheid in een teken wordt gestopt, hoe groter de kans is dat het teken niet in ‘ruis’ (onoplettendheid, storende aanwezigheid van andere mogelijke tekens, enz.) verloren gaat.
Nemen we het stoplicht. ‘Rood’ betekent ‘verboden verder te gaan’. Het is altijd het bovenste van drie lichten. Het verbod wordt dus niet alleen aangegeven door de kleur rood, maar ook door de hoogste plaatsing in een serie van drie. Twee tekens die dus samentreffen, met één denotatum en één interpretant. Allebei zijn het symbolen, tekens volgens een conventie. Ze vragen enig leerwerk. Hetzelfde verschijnsel doet zich op verkeersborden voor, waar en ‘rood’ en ‘rond’ allebei een verbod denoteren. Eenvoudige redundantie dus.
Maar aan het eind van perrons stuiten we soms op een bord waarop de tekenverknoping al wat ingewikkelder is. Het is een rond bord (‘verbod’) met rode rand (‘verbod’), dat aan die rondheid en rode rand al voldoende zou hebben om dubbel ‘niet verder’ te betekenen. Toch staat er binnen de rode cirkel nog de afbeelding van een mannetje met wijd uitgespreide armen, die ons als het ware tegenhoudt. Dit teken binnen het samengestelde teken betekent ook ‘niet verder’, maar de denotatie verloopt hier anders dan bij de symbolen 'rond' en ‘rood’. De afbeelding denoteert namelijk een man met uitgespreide armen, en is dus een icoon, omdat de relatie tussen teken en denotatum een gelijkenisrelatie is. Maar met de verwijzing naar de man met uitgespreide armen langs iconische weg zijn we er nog niet. Die man met uitgespreide armen is op zijn beurt weer een teken, en wel een symbool voor ‘verboden verder te gaan’. (Een agent op een kruispunt kan dat door het uitspreiden van zijn armen te kennen geven.) Terwijl ‘rond’ en ‘rood’ hun semiotische werking dus direct hebben, is de werking van de afbeelding indirect. Hij verloopt in dit geval langs symbolische weg, maar via iconiciteit. Er is trouwens nog een verschil tussen ‘rond’ en ‘rood’ enerzijds en de afbeelding anderzijds. De eerste twee tekens zijn heel weinig contextgevoelig. Wie midden in de woestijn een rond bord met rode rand ziet staan, zal waarschijnlijk denken dat hij niet verder mag. Maar wie midden in de woestijn een man met uitgespreide armen ziet staan, zal mogelijkerwijs denken: 'Hij wil dat ik in zijn armen kom.' Pas in de context van een verkeerssituatie, of iets dergelijks, krijgt het gebaar van de uitgespreide armen zijn specifieke semiotische functie.
Het geval van het eind-van-het-perron-bord kan ons ertoe brengen om een gissing te maken omtrent de semiotische kracht van de drie tekens die er een onderdeel .van zijn. We constateren dan iets eigenaardigs. Als we het samengestelde teken analyseren, zien we dat het, voor wat de onderdelen ervan betreft, drie-één voor de symbolen staat. En toch dringt dat mannetje zich op. We hebben het gevoel dat het niet zozeer het ‘rood’ en het ‘rond’ zijn, maar juist het mannetje dat ons tegenhoudt. Dat mannetje lijkt wel de grootste semiotische kracht te hebben. Hoe zou dat komen?
Ik denk dat dat in de eerste plaats komt door de rol van de iconiciteit in dit teken. Ik geloof dat iconische tekens, als ze gecombineerd of vergeleken worden met symbolische tekens, een sterkere uitwerking hebben dan deze, of, zoals ik dat heb genoemd, een grotere semiotische kracht.
Zet langs de weg een bord met het opschrift ‘Slipgevaar’ en controleer hoeveel uitwerking het heeft op de weggebruikers. Vervang het nu door een bord waarop de afbeelding van een slippende auto is aangebracht en controleer opnieuw de uitwerking. Mogen we niet aannemen dat het tweede, het iconische teken, beter werkt dan het eerste?
Opnieuw komt dan de vraag naar voren hoe dit zou komen. En dan valt te denken aan het verschil in abstractiegraad tussen de symbolische en iconische tekens. De relatie tussen ‘rood’/’rond’ en ‘verbod’ (of ‘gevaar’) berust op een afspraak. Er had eventueel een andere afspraak kunnen zijn gemaakt. Maar de relatie tussen de slippende auto en het gevaar, tussen het mannetje en de verbiedende wet,' is minder willekeurig, minder abstract. De wet en het gevaar staan dichter achter het mannetje en de auto dan achter rond en rood.
Dat ‘dichter achter’ uit de vorige zin werpt een nieuw licht op de ingewikkelde verknoping van tekentypen die veelal in samengestelde tekens optreedt, want het wijst op iets als een relatie van aangrenzendheid, en waar die zich voordoet, moet men van index spreken. Laten we de proef maar op de som nemen. Vervang de slipgevaar-borden door een echte slippende auto. Dat maakt indruk. En vervang het afgebeelde mannetje met zijn uitgespreide armen door een kerel van vlees en bloed. Wie zou er dan nog durven door te lopen? Zijn gebaar is weliswaar symbolisch (we hebben geleerd dat het ‘stop’ betekent), maar we voelen toch veel directer de wet achter hem staan, vooral als hij ook nog een uniform draagt. (En hoe meer attributen van de verbiedende wet hem gegeven worden - zeg: knuppel of pistoolmitrailleur -, des te indexicaler wordt het teken, des te overtuigender zijn semiotische kracht.) Hoe dan ook, achter de iconiciteit van het eind-van-het-perron-bord schuilt nog indexicaliteit.
Zo geraffineerd zitten tekens veelal in elkaar. Als we dat beseffen, dan beseffen we ook steeds beter dat, als er over icoon, index of symbool gesproken wordt, dat vrijwel steeds eenvoudigheidshalve wordt gedaan. Meestal is deze vereenvoudiging noodzakelijk vanuit een oogpunt van efficiënt taalgebruik. Soms echter is het zinrijk om dieper op de zaak in te gaan en uit te maken hoe de verknoping precies in elkaar zit en hoe de dominantie van een bepaald tekentype in deze verknoping tot stand komt.