Banner Semiotiek Start | Project Semiotiek | Over de makers | Bibliografie | Links
pasunepipe

CULTUUR EN IDEOLOGIE

Het gebruik van tekens geeft ons het gevoel greep te krijgen op de chaotische werkelijkheid die ons omringt, waarin wij ongevraagd terechtgekomen zijn en die ons, in zijn wanordelijke veelheid en veelvormigheid, dikwijls als een bedreiging voorkomt. We zijn zwak en beperkt, in een universum dat ons overweldigt door zijn onbeperktheid. In deze verslindende, krioelende jungle hakken we ons een plek en wat houvast met het kapmes van onze semiotische mogelijkheden. Het is een enigszins geruststellende gedachte dat we er daarbij niet helemaal alleen voor staan. In onze onmiddellijke nabijheid zien we een groep die er net zo voor staat als wij en die op vergelijkbare wijze de warboel van het bestaan, van het universum en van het menselijk tekort probeert zo goed en zo kwaad als dat gaat de baas te worden. Met die groep voelen we ons verbonden, omdat hij het semiotisch instrument op ongeveer gelijke wijze hanteert als wij. Met die groep hebben wij iets gemeen dat we cultuur noemen: het timmerwerk van betekenisgeving waarbinnen we ons gezamenlijk min of meer veilig kunnen voelen.
Cultuur is een door een groep gedeelde vaardigheid om op gelijke wijze tekens te herkennen, te interpreteren en te produceren. Dat betekent uiteindelijk dat een cultuur een samenhangend geheel van semiotische gewoonten is, gewoonten die aan onze omgang met een wereld waarin àlles een teken kan zijn een zekere efficiëntie verlenen.
Als iemand binnen het Nederlandse cultuurgebied met een vinger tegen zijn voorhoofd tikt, hoeven we niet te piekeren of dit nu een teken is of niet, en ook over de interpretatie hoeven we niet na te denken. In de gebarentaal van onze cultuur betekent dat 'Je bent gek'. Als we in de eerste klas van de trein een ernstige jongeman met ronde bril en slordig maar kostbaar leren jack wat stencils zien doorbladeren, weten we wat dat betekent: ‘Daar zit een nieuwe vrijgestelde.’ Een fijngesponnen net van tekens, uit allerlei tekensystemen, maakt het mogelijk om onze cultuur onder te verdelen in cultuurkringen. Sherry voor het eten drinken, bij de tv een zure bom eten, koffie verkeerd gebruiken, rondlopen met twee forse tassen met op één ervan een bosje bloemen, in een oude lelijke eend rijden, een gigantische snor dragen, een broek met een vouw hebben, van Satie genieten, De Nieuwe Linie lezen, ‘doeg’ zeggen, plat praten, postzegels verzamelen, met vakantie naar Torremolinos gaan, over de laatste Reve meepraten, hasj roken, het haar in het midden scheiden, Annewies heten, potverteren, de bloemetjes buiten zetten, vinden dat iets moet kunnen, gaan stappen, de schuld bij de structuren zoeken, het zijn allemaal tekens die plaatsing binnen een cultuurkring mogelijk maken.
Verschillen in semiotische gewoonten bepalen de demarcaties tussen de culturen. Als men zich die verschillen niet bewust is, kunnen er min of meer ernstige misverstanden ontstaan. Toen Brezjnew in Amerika was en zich op het balkon aan het volk vertoonde, wilde hij een aardig gebaar maken en hief zijn ineengeslagen handen boven zijn hoofd. Naar Russische gewoonte betekent dat gebaar ‘vriendschap’. De aanwezige Amerikanen herkenden echter het gebaar dat de zegevierende bokser na afloop van de match maakt: 'lk heb gewonnen.’ Toch is dat het ergste nog niet. In zo’n geval wordt het teken nog wel als teken herkend, en de interpretatie kan worden gecorrigeerd. Het kan echter ook voorkomen dat, als partners uit verschillende culturen communiceren, het een van beiden ontgaat dat de ander of hijzelf een teken afgeeft. Toen Nederland tijdens de oliecrisis dreigde in onmin te raken met de Arabische landen, werd er een zaakgelastigde gestuurd om het Nederlandse standpunt uit te leggen. Men besefte niet dat dit woord ‘uitleggen’ als een akelig teken opgevat wordt binnen het Arabische cultuurgebied: wie het gebruikt veronderstelt zeker dat de ander te dom is om uit zichzelf iets te begrijpen.
Het meest kenmerkende van de betekenisgewoonten binnen een cultuur of cultuurkring is misschien wel dat zij op zichzelf weer tot tekens worden. En wel tekens door middel waarvan de leden van die cultuur of cultuurkring elkaar vreugdevol kunnen herkennen en de niet-leden buitensluiten. Cultuurkringgenoten kunnen elkaar herkennen aan hun interieur, met het keurige bankstel en de reproducties van zigeunerinnetjes of een betraand jongetje aan de muur. Taalgewoonten zijn onfeilbare middelen: de dure woorden van intellectuelen, de zachte g van de Zuid-Nederlanders, de zalvende zinnen van christelijke politici. Dat semiotisch herkennen is een dermate fundamentele voorwaarde voor veiligheid in een boze wereld dat deze cultuursaamhorigheid alle andere te boven gaat. Vandaar dat culturele veranderingen moeilijker zijn dan politieke. Vandaar dat cultuurkritiek fellere reacties oproept dan welke andere kritiek ook. Vandaar de scheldbrieven na afloop van cultuurkritische televisie-uitzendingen. Vandaar de afkeer van de vieze etensluchtjes van vreemdelingen.
Tekens zijn dus altijd cultuurgebonden. (Ik heb al gezegd dat ik niet geloof dat er ‘absolute’, ‘eeuwige’ tekens bestaan.) Dat betekent dat de beste manier om met een cultuur vertrouwd te raken bestaat uit het opsporen van de binnen die cultuur gangbare semiosis. Op zoek naar de tekens die binnen een cultuur gebruikt worden, doet men ontdekkingen omtrent de binnen die cultuur heersende ideologie. Die ideologie is de samenhang van vooronderstellingen op grond waarvan het tekengebruik mogelijk is.
Zoals gezegd is ieder teken een interpretant. Aan ieder teken gaat een teken vooraf , waaruit het zich ontwikkeld heeft. Er zijn elementen, die ik gemakshalve en grofweg contextuele elementen wil noemen, die het teken als het ware voor-interpreteren. Voor een deel zijn die elementen concreet en zichtbaar. Het teken ‘tafel’ in de zin ‘Leg het boek op tafel, is een ander dan het woord ‘tafel’ in de zin ‘Zeg de tafel van twaalf op.’ Contextuele elementen als ‘leg’, ‘zeg op‘, ‘het boek’, 'van twaalf’ zijn daar de oorzaak van. Maar er zijn ook onzichtbare elementen die de tekens begeleiden. Dat zijn de vooronderstellingen.
Als iemand zegt 'Jan slaat zijn vrouw niet meer’, dan veronderstelt hij dat de ander al wist dat Jan zijn vrouw sloeg. Natuurlijk kan hij te kwader trouw zijn en dat valselijk aannemen. In dat geval vertelt hij niet zozeer dat Jan nú zijn vrouw niet meer slaat als wel dat hij dat vroeger wel deed, en zal de aangesprokene waarschijnlijk reageren met een ‘Dééd hij dat dan?’ Of die ander nu al op de hoogte was of niet, verandert niets aan het feit dat het taalteken, de zin ‘Jan slaat zijn vrouw niet meer’, een onzichtbaar teken meekrijgt, en wel de vooronderstelling ‘Jan sloeg _zijn vrouw’.
Als iemand vraagt ‘Kunt u mij zeggen hoe laat het is?’, verwacht hij het antwoord ‘Vier uur’ en niet ‘Ja hoor.’ Dat komt doordat hij vooronderstelt dat die ander zal begrijpen ‘Kunt u mij zeggen hoe laat het is? Zo ja, zeg het mij dan. ‘ Die weggelaten tweede zin is het onzichtbare teken waarvan hij vooronderstelt dat die door de aangesprokene, behorende tot zijn cultuur en op de hoogte van die bepaalde beleefdheidscode die daarin gangbaar is, zal worden toegevoegd. Zo besparen de niet uitgesproken vooronderstellingen het gebruik van expliciete contextuele elementen. Zo dragen de vooronderstellingen ertoe bij om van het teken een interpretant, een soort voor-geïnterpreteerd teken, te maken.
Er zijn geen tekens die niet in vooronderstellingen ingebed zijn. Als we nu de vooronderstellingen als impliciete context beschouwen, kunnen we zeggen dat er absoluut geen contextvrije tekens bestaan. Ik zou niet weten of er regels te vinden zijn om de vooronderstellingen op het spoor te komen. Het beste lijkt me dat, als de behoefte zich voordoet om de vooronderstellingen te kennen, helder de vraag gesteld wordt: ‘Wat wordt er voorondersteld?’ Een eenvoudige logische operatie zal dan meestal het antwoord wel brengen. Een voorbeeld. In de bekende dichtbundel Toi et moi laat de dichter, Géraldy, de minnaar aan zijn beminde vragen ‘Als jij een man zou zijn, zou je dan mijn vriend zijn?’ Zoek de algemeen geldige regel (maxime, aforisme) die in deze zin verborgen zit. Antwoord: ‘Een vrouw kan niet de vriend zijn van een man.’ Deze ondergrondse vooronderstelling is het begeleidend teken dat het zichtbare taalteken voor-interpreteert. Een ander voorbeeld. Een bepaald merk margarine wordt in een tv-reclamespotje aanbevolen door middel van een jonge man die zijn schoonmoeder van achteren nadert en haar per abuis voor zijn vrouw of verloofde verslijt. Door die margarine te eten was moeder namelijk net zo slank als haar dochter gebleven of geworden. Dat spotje, als teken opgevat, kan alleen maar als zodanig - en op de gewenste manier - functioneren als het door impliciete vooronderstellingen daarvoor rijp is gemaakt. Dat zijn er in dit geval nogal wat: ‘Mannen houden van slanke vrouwen’, ‘De toetssteen voor vrouwengeluk is hoe een man haar behandelt’, ‘Oudere vrouwen kunnen op een of andere manier toch nog meekomen’, 'Het is voor een vrouw begerenswaardig om net zo slank als haar dochter te zijn’, enz.
De vooronderstellingen die bij een analyse van de tekens in de laatste twee voorbeelden aan het licht komen, zijn discriminerend voor vrouwen. Men kan zelfs de indruk hebben dat die vooronderstellingen samenhangen met andere en deel uitmaken van een complex van vooronderstellingen dat een noemer kan krijgen als ‘Ten opzichte van mannen zijn vrouwen tweederangswezens.’ Anders gezegd: achter beide tekens, de zin van Géraldy en het reclamespotje, schuilt een ideologie, een ideologie die in dit geval de man-vrouw-relatie betreft. Iedere cultuur kent zijn ideologieën. Iedere ideologie is cultuurgebonden. Wie een cultuur bestudeert, krijgt met ideologieën te maken. Wie een ideologie bestudeert, moet 'met culturele gegevens rekening houden. Het zoeken naar de ideologische uitgangspunten in cultuuruitingen is belangrijk werk. De ideologie geeft richting aan de cultuur. De ideologie is het uiteindelijk die de visie van de cultuurgroep op de werkelijkheid bepaalt. Door de ideologie te kennen, begrijpen we de cultuurgroep beter.
Daar komt nog het volgende bij. Het begrip ‘vooronderstelling’ ligt dicht bij het begrip ‘vooroordeel’. ‘Vooroordeel’ is synoniem met 'vooronderstelling’, maar heeft een ongunstige betekeniswaarde. Het opsporen van vooroordelen - met de bedoeling ze te kunnen bestrijden - is dus weinig anders dan het opsporen van vooronderstellingen. En het opsporen van samenhangende vooronderstellingen is het opsporen van een heersende ideologie. Dat kan de semioticus zich dus tot taak stellen: een ideologie opsporen, teneinde vooroordelen te ontmaskeren. Ik neem aan dat de Géraldy- en margarine-voorbeelden duidelijk genoeg aangeven wat ik hiermee bedoel.